Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:20

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:20, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6573 AWBZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:20:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 augustus 2017, 17/175 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)

Datum uitspraak: 2 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Namens appellante is mr. Jalandoni verschenen. Het zorgkantoor heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Het zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellante voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
1.2.
Bij besluit van 5 september 2015 heeft het zorgkantoor het pgb van appellante voor het jaar 2014 lager vastgesteld dan het verleende bedrag en een bedrag van € 26.167,16 van haar teruggevorderd. De door appellante, op de daarvoor bestemde formulieren, opgegeven besteding van het pgb over de eerste helft van 2014 is, op basis van een globale controle, volledig geaccepteerd. Onderdeel hiervan is een bedrag van € 19.728,84 voor zorgverlener [naam zorgverlener 1] . Appellante heeft over de tweede helft van 2014 geen verantwoordingsformulier ingediend.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 september 2015. Daarbij heeft zij gesteld dat het volledige budget is besteed aan de zorgverleners. Het zorgkantoor wordt verzocht rekening te houden met de alsnog ingediende verantwoording van de besteding van het pgb over de tweede helft van 2014.
1.4.
Bij besluit van 2 december 2016 (bestreden besluit) heeft het zorgkantoor het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het pgb voor het jaar 2014 nader vastgesteld op € 55.670,46 en de terugvordering verlaagd tot een bedrag van € 3.021,79. Het zorgkantoor heeft de verantwoording over de tweede helft van 2014 voor de zorgverleners [naam zorgverlener 2] , [naam zorgverlener 3] en [naam zorgverlener 4] grotendeels geaccepteerd. Er is geen aanleiding gezien om de verantwoording over de tweede helft van 2014 voor zorgverlener [naam zorgverlener 1] (deels) te accepteren.
[naam zorgverlener 2] een bedrag van € 7.932,88 heeft geaccepteerd. Deze bedragen zijn blijkens de overgelegde bankafschriften aan de zorgverleners betaald als salaris voor de maanden juli 2014 tot en met december 2014. Voor goedkeuring van een hoger bedrag bestaat geen grond. Gelet op de omschrijving op de bankafschriften is het salaris over de maanden juli en augustus 2014 voor beide zorgverleners dubbel uitbetaald. De rechtbank is verder van oordeel dat het zorgkantoor terecht geen bedrag voor door [naam zorgverlener 1] in de tweede helft van 2014 verleende zorg heeft geaccepteerd. De betalingen aan [naam zorgverlener 1] van € 5.500,- op 27 januari 2016 en € 7.150,- op 25 april 2017 zijn niet terug te voeren op de stukken. Voorts zijn die betalingen, gelet op de algemene omschrijving ‘verschuldigd salaris 2014’, niet terug te voeren op de periode juli 2014 tot en met december 2014.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het zorgkantoor van de verantwoording over de tweede helft van 2014 terecht voor [naam zorgverlener 3] een bedrag van € 5.334,48 en voor
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd wordt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het zorgkantoor de verantwoorde kosten voor door [naam zorgverlener 1] over de tweede helft van 2014 verleende zorg heeft mogen afwijzen. Het zorgkantoor heeft niet betwist dat [naam zorgverlener 1] aan appellante de voor haar geïndiceerde AWBZ-zorg heeft verleend. Voorts is aannemelijk gemaakt dat, door fouten van onder meer de Sociale Verzekeringsbank, onvoldoende budget beschikbaar was om het salaris van alle zorgverleners tijdig te kunnen betalen. De betalingen aan [naam zorgverlener 1] met als omschrijving ‘verschuldigd salaris 2014’ zijn weliswaar algemeen over het jaar 2014 omschreven maar zien in ieder geval op dat jaar. Onder deze omstandigheden dient de algemene betalingsomschrijving niet volledig voor rekening en risico van appellante te komen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil beperkt zich tot de afwijzing van de verantwoorde kosten voor zorgverlener [naam zorgverlener 1] over de tweede helft van het jaar 2014. Niet in geschil is dat appellante bij deze verantwoording niet heeft voldaan aan de bij de verlening van het pgb opgelegde administratieve verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa en het zorgkantoor als gevolg daarvan bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) vloeit voort dat bij de uitoefening van die bevoegdheid een belangenafweging moet worden gemaakt, die niet mag leiden tot een voor appellante onevenredige uitkomst. Bij deze afweging is van belang of appellante, ondanks dat door haar niet aan de gestelde verplichtingen is voldaan, voldoende aannemelijk en inzichtelijk heeft gemaakt dat de gedeclareerde zorg daadwerkelijk is verleend, dat deze zorg uit het pgb mag worden betaald en dat deze zorg daadwerkelijk is betaald.
4.2.
Het zorgkantoor heeft bij de vaststelling van het pgb voor het jaar 2014 een bedrag van € 19.728,84 geaccepteerd voor door [naam zorgverlener 1] verleende AWBZ-zorg. Uit de overgelegde bankafschriften valt af te leiden dat appellante aan [naam zorgverlener 1] in totaal een bedrag van € 17.650,- heeft betaald voor in 2014 verleende zorg. Het betreft een betaling van € 5.000,- met de omschrijving ‘salaris voorschot 01-01-2014 tot 01-06-2014’ en twee betalingen van respectievelijk € 5.500,- en € 7.150,- met de omschrijving ‘verschuldigd salaris 2014’. Dit leidt tot de conclusie dat het zorgkantoor voor door [naam zorgverlener 1] in 2014 verleende zorg een bedrag heeft geaccepteerd dat hoger ligt dan het bedrag dat voor die zorg daadwerkelijk is betaald. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het zorgkantoor bij een afweging van de belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de over de tweede helft van 2014 verantwoorde kosten voor [naam zorgverlener 1] niet (deels) te accepteren. Anders dan appellante veronderstelt komt bij de belangenafweging betekenis toe aan wat het zorgkantoor over de eerste helft van 2014 reeds heeft geaccepteerd.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) M.A.A. Traousis

LO