Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1875

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-06-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1875, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7126 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1875:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 12 juni 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2017, 16/4133 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. van Deuzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als inpakker. Op 1 mei 2015 heeft hij zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellant op 22 februari 2016 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 99,46% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 27 april 2016 vastgesteld dat appellant met ingang van 31 mei 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft argumenten gezien om de FML aan te passen. De beperkingen zijn neergelegd in een FML van 8 juli 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat drie van de vier van de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies onveranderd geschikt zijn voor appellant.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid van de inschatting van de belastbaarheid van appellant door het Uwv. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een medisch deskundige in te schakelen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet gevolgd wordt in zijn standpunt dat hij de voor hem geselecteerde functies niet kan verrichten vanwege de daarin gestelde eis aan de Nederlandse taal en de niveau-eis dat basisonderwijs moet zijn doorlopen.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de artsen van het Uwv zijn beperkingen te licht hebben ingeschat. Appellant acht zich niet in staat arbeid te verrichten. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt informatie ingezonden van zijn huisarts en een rapport van een keuringsarts in opdracht van WNK Personeelsdiensten. Appellant acht het niet juist dat de rechtbank geen deskundige benoemd heeft. Hiertoe bestond naar zijn mening aanleiding gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec).
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Het beroep op het arrest Korošec slaagt niet. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) wordt hiertoe overwogen dat appellant in de procedure voldoende mogelijkheden heeft gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen zijn onderschat en dat hij deze mogelijkheden ook heeft benut. Niet kan worden gezegd dat de door appellant ingezonden stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het beginsel van equality of arms wordt geschonden indien door de bestuursrechter geen deskundige wordt ingeschakeld.
4.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De daarvoor in de overwegingen 3.3.1 en 3.3.2 van de aangevallen uitspraak gegeven motivering wordt onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
De in hoger beroep ingebrachte medische stukken bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 28 november 2017 inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder uiteengezet dat PTSS-klachten en de behandeling zijn meegewogen en dat met beperkingen voor mentale belastingen in werk rekening is gehouden, maar dat bij onderzoek geen grond is gebleken appellant door psychiatrische ziekte in het geheel niet tot werken in staat te achten. De beginnende spondylose staat niet in de weg aan het verrichten van arbeidshandelingen waarbij geen sprake is van zwaar werk. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze beschouwingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep. Daarom wordt geen aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
4.5.
Ten slotte wordt geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat deze functies ook wat betreft de overige gevraagde bekwaamheden en niveau-eisen geschikt zijn voor appellant.
4.6.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2019.

(getekend) D. Hardonk-Prins

(getekend) R.H. Koopman

VC