Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1840

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1840, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/5764 WUBO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1840:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 6 juni 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 oktober 2018, kenmerk BZ011229198 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Appellante is verschenen, samen met haar dochter [naam dochter appellante]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1934, is in 1995 op grond van psychische invaliditeit (inclusief psychosomatische nek- en schouderklachten) erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan haar zijn onder meer toegekend een periodieke uitkering en met ingang van 1 november 2000 een vergoeding van de kosten verbonden aan vier uur (een dagdeel) huishoudelijke hulp per week.
1.2.
Het in september 2003 ingediende verzoek om uitbreiding van de huishoudelijke hulp is afgewezen bij besluit van 17 december 2003 na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 maart 2004 op de grond dat appellante vanwege haar oorlogsinvaliditeit niet is aangewezen op meer dan vier uur (dagdeel) huishoudelijke hulp. Appellante heeft tegen het besluit van30 maart 2004 geen beroep ingesteld.
1.3.
In december 2017 heeft appellante opnieuw verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week. Bij besluit van 31 mei 2018, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van een medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp. Daarbij is overwogen dat niet is gebleken dat er bij appellante op grond van haar gezondheidsklachten beperkingen zijn voor lichte huishoudelijke werkzaamheden. Verder is niet gebleken dat in het geval van appellante sprake is zelfverwaarlozing of chaotische gedrag.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van 70 jaar of ouder, zoals appellante, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend indien zij op grond van het totaal van haar medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor twee dagdelen per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen aanvaardbaar geacht (bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:148).
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag van appellante om advies voorgelegd aan de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts. Deze arts heeft mede op basis van gegevens van de huisarts en de behandelend cardioloog geconcludeerd dat er geen medische indicatie bestaat voor meer dan het al toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp. Het bezwaar is voorgelegd aan de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts. Deze arts heeft het advies van Maas onderschreven. Ook Ohlenschlager ziet geen medische noodzaak voor meer dan het al eerder toegekende dagdeel huishoudelijke hulp.
2.3.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Uit de voorhanden zijnde medische en andere gegevens, zoals het aanvullend sociaal rapport, blijkt dat appellante wel beperkt is in haar doen en laten, maar nog niet in die mate dat zij geen lichte huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten. Appellante erkent feitelijk ook dat zij nog (enige) lichte huishoudelijke werkzaamheden verricht. Verder is niet gesteld of gebleken dat bij appellante sprake is van zelfverwaarlozing of chaotische gedrag. Dit alles brengt mee dat appellante niet voldoet aan het onder 2.1 beschreven (vrij strikte) beleid dat wordt gehanteerd bij het beoordelen van aanvragen voor een tweede dagdeel huishoudelijke hulp. De grootte van de woning en het moeten onderhouden van de tuin zijn geen (medische) redenen om tot uitbreiding van de huishoudelijke hulp over te gaan. Mocht sprake zijn van verergering van de medische beperkingen van appellante, dan kan zij een nieuwe aanvraag indienen.
2.4.
Uit 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2019.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) L.R. Daman

lh