Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1836

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1836, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/6408 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1836:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 6 juni 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 september 2016, 16/592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Crone. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

Het onderzoek ter zitting is geschorst voor een nader medisch onderzoek van appellante door de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden. Appelante heeft hierop gerageerd en nadere stukken ingediend.

Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam als verzorgende thuiszorg voor 9,89 uur per week, toen zij zich op 4 december 2013 voor dit werk ziek meldde met psychische klachten, toename van vermoeidheidsklachten en toename van rugklachten. Het dienstverband is op 30 september 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 6 mei 2015 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 mei 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis van de lonen van deze drie functies berekend dat appellante nog 76,21% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juni 2015 vastgesteld dat appellante met ingang van 18 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante zich met name op het standpunt gesteld dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en beperkingen. Appellante heeft voorts gesteld dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen en dat ten onrechte voorbij is gegaan aan het in beroep ingediende advies van de medisch adviseur/verzekeringsarts A.B. Gille van 11 juli 2016. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een rapport ingediend van reumatoloog prof. dr. L.B.A. van de Putte, een brief van medisch adviseur Gille en een rapport van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans.
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Partijen zijn, mede gelet op het verhandelde ter zitting, verdeeld over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv de beperkingen in de FML juist heeft vastgesteld, met name voor wat betreft hand- en vingergebruik. Gelet op de gedingstukken is bij de medische onderzoeken van zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep afgezien van een lichamelijk onderzoek, en hebben zij zich gebaseerd op het lichamelijk onderzoek zoals dit staat beschreven in een brief van de behandelend reumatoloog van 5 juni 2015. Omdat in die brief geen bevindingen, die specifiek zien op de hand- en vingervaardigheid van appellante, door de reumatoloog zijn vermeld, is het Uwv in overleg met partijen in de gelegenheid gesteld appellante op dit punt nader medisch te onderzoeken.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante op het spreekuur van 27 november 2018 gezien. Op basis van bevindingen uit onderzoek, bestaande uit anamnese, lichamelijk onderzoek toegespitst op de handfunctie links en rechts en de armen en tevens een psychisch onderzoek heeft deze arts geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om de eerder vastgestelde belastbaarheid aan te passen. Met name heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen reden gezien alsnog beperkingen ten aanzien van (repetitieve) hand- en vingerbewegingen aan te nemen.
4.4.
Er is geen aanleiding gezien om dit onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig of onvolledig te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht en tijdens het spreekuur kennis genomen van de klachten aan handen en armen, zoals appellante die ervaart. Voorts blijkt uit het rapport dat het lichamelijk onderzoek specifiek gericht is geweest op de handklachten en handfunctie beiderzijds, de armklachten beiderzijds en de bewegingsuitslagen van polsen, onderarmen, ellebogen en schouders. De bevindingen zijn vervolgens op inzichtelijke wijze in het rapport opgenomen.
4.5.
Evenmin wordt aanleiding gezien te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van de handen en armen van appellante. Uit het onderzoek is gebleken dat de verschillende grepen van de handen niet beperkt zijn en dat de gewrichtsbewegingen evenmin beperkingen laten zien. Ook overigens worden aan de handen geen evidente beperkingen vastgesteld. Het onderzoek naar de beweeglijkheid van de armen laat evenmin beperkingen zien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aldus voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is om in de FML meer beperkingen op te nemen dan reeds gedaan.
4.6.
Aan de afwijkende standpunten van de door appellante ingeschakelde medisch adviseurs/verzekeringsartsen kan niet die waarde worden toegekend die appellante daaraan toegekend wenst te zien. Daarbij wordt van belang geacht dat deze artsen appellante niet zelf hebben onderzocht, maar hun standpunten zijn gebaseerd op dossierstudie, de door appellante zelf verwoorde beperkingen en op het medisch onderzoek van reumatoloog Van de Putte. Diens onderzoek, noch zijn verwijzing naar de paragraaf Fibromyalgie en Arbeid in de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Reumatologie, geeft echter specifiek inzicht omtrent de bij appellante aanwezige beperkingen ten aanzien van (repetitieve) hand- en vingerbewegingen.
4.7.
Uitgaande van de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde FML van 6 mei 2015 is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 18 juli 2015 in staat kan worden geacht meer dan 65% van haar maatmaninkomen te verdienen en om die reden geen recht meer heeft op ziekengeld.
5.1.
Eerst in hoger beroep is aan het bestreden besluit een voldoende medische motivering ten grondslag gelegd. De Raad zal het bestreden besluit ondanks dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand laten, omdat aannemelijk is dat appellante door het gebrek niet is benadeeld. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.2.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1024,- in beroep en € 1280,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2304,-. Tevens heeft appellante verzocht om vergoeding van de kosten van partijdeskundige reumatoloog Van de Putte van, inclusief secretariële werkzaamheden en reiskosten, in totaal € 2371,76. Deze kosten zijn gebaseerd op een rapport, waarvoor vijf en een half uur is gedeclareerd. De Raad stelt vast, met inachtneming van wat is overwogen in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en artikel 2, eerste lid, en onder a, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, dat bij het verrichten van een onderzoek als het onderhavige het uurtarief van de geneeskundige maximaal € 121,95 bedraagt. Dit betekent dat voor het rapport van de partijdeskundige een bedrag van 5,5 x € 121,95 (vermeerderd met 21% btw) voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de door de deskundige gedeclareerde reiskosten. In totaal komt voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 1022,97 (inclusief btw). Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de door appellant geraadpleegde medisch adviseurs tot een bedrag van € 1135,18 (inclusief btw). De totale vergoeding voor de deskundigen bedraagt daarmee € 2158,15,-. Tot slot wordt aanleiding gezien de reiskosten van appellante tot een bedrag van € 64,44, te vergoeden. De totale door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen € 4526,59.
beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4526,59;- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 169,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) R.L. Rijnen

VC