Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1832

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1832, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/6363 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1832:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 6 juni 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2017, 16/7375 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bosveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als kledingsorteerster. Op 13 september 2013 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een medisch onderzoek en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 14 augustus 2014 vastgesteld dat appellante per 13 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van haar arbeid als kledingsorteerster, maar wel tot het vervullen van diverse andere functies. Het bezwaar van appellante is ongegrond verklaard.
1.3.
Appellante heeft zich op 15 februari 2016 opnieuw ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten. In verband hiermee heeft zij op 8 april 2016 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante per 11 april 2016 geschikt geacht voor de in het kader van de EZWb geselecteerde functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en productiemedewerker metaal en elektro-industrie (SBC-code 111171). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2016 vastgesteld dat appellante per 11 april 2016 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek verricht. Daarnaast heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 juli 2014 al rekening is gehouden met de duizeligheidsklachten door appellante beperkt te achten voor verhoogd persoonlijk risico. Ook heeft de rechtbank in overweging genomen dat appellante geen nieuwe medische stukken heeft overgelegd die betrekking hebben op de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv appellante terecht met ingang met 11 april 2016 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid, te weten ten minste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante de gronden van bezwaar en beroep in essentie herhaald. Appellante is van mening dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar voortdurende duizeligheid, gepaard gaande met angsten, huilbuien en incidenteel bewustzijnsverlies. Tevens heeft appellante aangevoerd last te hebben van krachtverlies en trillingen in haar handen en benen. Volgens appellante geeft de FML van 14 juli 2014 haar belastbaarheid onjuist weer.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).
4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De arts van het Uwv heeft de dossiergegevens bestudeerd, de klachten van appellante in kaart gebracht en zowel psychisch als lichamelijk onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de arts van het Uwv heroverwogen. Hiertoe heeft hij eveneens de dossiergegevens bestudeerd en daarnaast de hoorzitting bijgewoond. De artsen van het Uwv hebben op inzichtelijke wijze gemotiveerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.
4.3.
Daarnaast wordt geoordeeld dat het Uwv overtuigend heeft gemotiveerd dat met de FML van 14 juli 2014 recht wordt gedaan aan de medische situatie van appellante op de datum in geding. Op het moment van de EZWb was het Uwv reeds op de hoogte van de duizeligheidsklachten van appellante. In de FML zijn hiervoor destijds beperkingen aangenomen voor ‘staan’, ‘klimmen’ en ‘verhoogd persoonlijk risico’. Dat de ernst en frequentie van de duizeligheid bij de huidige medische beoordeling is toegenomen, heeft appellante niet onderbouwd met medische gegevens. Dat bij appellante op de datum in geding sprake was van dermate ernstige psychische problematiek, dat het Uwv daarvoor aanvullende beperkingen had moeten aannemen, blijkt evenmin uit stukken van de behandelend sector en uit het psychisch onderzoek door de verzekeringsartsen. Wat betreft de klachten aan de handen en benen wordt eveneens overwogen dat het Uwv hier bij de EZWb al voldoende rekening mee heeft gehouden door beperkingen aan te nemen voor, onder andere, ‘hand- en vingergebruik’, ‘schroefbewegingen’ en ‘lopen’. Uit gegevens van de behandelend sector en het door de verzekeringsarts verrichte lichamelijk onderzoek is niet gebleken dat het Uwv aan de door appellante geclaimde beperkingen in verband met haar klachten aan de bovenste en onderste extremiteiten onvoldoende tegemoet is gekomen.
4.4.
Uitgaande van een correcte medische beoordeling heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellante met ingang van 11 april 2016 in staat moet worden geacht tot het verrichten van haar arbeid, namelijk ten minste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies.
4.5.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2019.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) C.I. Heijkoop

VC