Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1831

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1831, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/5640 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1831:DOC
nl

16



Datum uitspraak: 6 juni 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 juli 2016, 16/208 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. ter Wee, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Wee. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.K. Affia.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is met ingang van 27 februari 2007 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Sedert 29 januari 2011 is appellant 80% of meer arbeidsongeschikt.
1.2.
Op 3 juni 2009 heeft de Regiopolitie IJsselland een onderzoek ingesteld op het perceel [adres perceel] te [woonplaats] dat in eigendom is van appellant. Daarbij is in de schuur achter de woning een hennepkwekerij met 160 hennepplanten aangetroffen. Uit onderzoek van energieleverancier Enexis bleek dat vanaf 2004 een extreem hoog elektrisch verbruik was op voornoemd adres.
1.3.
Op 15 juni 2009 is de zoon van appellant verhoord door de politie. De politie heeft op 18 januari 2010 een Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (politierapport) opgemaakt.
1.4.
Op 6 september 2011 heeft de Regiopolitie IJsselland in de schuur op genoemd perceel een hennepkwekerij aangetroffen met hennepplanten van tenminste 21 dagen oud. Op dezelfde dag is appellant verhoord door de politie
1.5.
Op 23 januari 2013 is appellant verhoord door de politie naar aanleiding van waarnemingen over een periode van 17 augustus 2011 tot en met 12 oktober 2012.
1.6.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het hof) heeft bij arrest van 29 maart 2013 de zoon van appellant wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 20 augustus 2007 tot en met 3 juni 2009 te Kampen, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 (één) maand en een taakstraf van 100 uren.
1.7.
Het hof heeft appellant bij arrest van 29 maart 2013 vrijgesproken van het ten laste gelegde dat hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 juni 2009 in de gemeente Kampen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/schuur/garage aan [adres perceel]) (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 160, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II. Daarbij is overwogen dat het dossier onvoldoende wettig bewijsmateriaal bevat om een zodanige betrokkenheid van verdachte bij de door zijn zoon geëxploiteerde hennepkwekerij aan te nemen dat sprake zou zijn van medeplegen.
1.8.
Bij uitspraak van het hof van 29 maart 2013 is afgewezen de vordering op appellant strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat tot het in die vordering genoemde bedrag.
1.9.
Bij arrest van eveneens 29 maart 2013 is appellant wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 11, tweede lid, en artikel 3 onder B van de Opiumwet en het opzettelijk handelen in strijd met artikel 311 sub 5 van het Wetboek van Strafrecht in de periode 1 augustus 2011 tot 7 september 2011 te Kampen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 (één) maand en een taakstraf van 70 uren.
1.10.
Het Uwv heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering, waarbij appellant op 26 mei 2015 is gehoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 1 juni 2015. In dit onderzoeksrapport is geconstateerd dat appellant betrokken is geweest bij het opzetten van een of meer hennepkwekerijen en dat appellant handel drijft in merkkleding en wiet. Hij is betrokken bij de hennepkwekerij die in 2009 is ontmanteld, aangezien er over de periode juni 2007 tot de ontmanteling in juni 2009 een zeer hoog energiegebruik is vastgesteld van 16.000 kWh per jaar. Volgens het politierapport heeft appellant in de periode van 20 augustus 2007 tot en met 3 juni 2009 een voordeel genoten van € 74.545,-. Voorts is geconstateerd dat appellant met de kwekerij van 2011 een winst beoogde van € 6.000,- per oogst, dat appellant in de periode van 17 augustus 2011 tot en met de laatste waarneming op 12 oktober 2012 handel heeft gedreven in merkkleding en in wiet maar dat het inkomen dat met die handel is gegenereerd niet is vast te stellen.
1.11.
Op basis van de bevindingen in het onderzoeksrapport heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in de periode van 23 juni 2007 tot en met 3 juni 2009 (periode I) en van 15 augustus 2011 tot en met 12 oktober 2012 (periode II) betrokken is geweest bij het telen en verhandelen van hennep en dat hij daarnaast in de periode van 16 juni 2014 tot en met 25 januari 2015 inkomsten uit arbeid heeft gehad bij [naam B.V]. Omdat de inkomsten niet zijn vast te stellen, kan ook het recht op WAO-uitkering over periode I en II niet worden vastgesteld. Om die reden is bij besluit van 17 juli 2015 (besluit I) de WAO-uitkering over periode I en II ingetrokken en een bedrag van € 47.730,58 aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Met betrekking tot de inkomsten bij [naam B.V]. heeft het Uwv geconstateerd dat deze geen invloed hebben op de hoogte van zijn uitkering.
1.12.
Bij besluit van 17 juli 2015 (besluit II) heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd van € 2.269,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant heeft niet doorgegeven dat hij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten met het telen van hennep en handel in merkkleding in periode I en II.
1.13.
Bij besluit van 7 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de onderzoeksbevindingen van het Uwv voldoende grondslag bieden voor het standpunt datappellant in periode I en II betrokken is geweest bij een hennepkwekerij.
2.1.
Ten aanzien van periode I heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar uit het arrest van het hof van 29 maart 2013 blijkt dat het hof heeft geoordeeld dat het dossier onvoldoende wettig bewijsmateriaal bevat om een zodanige betrokkenheid van appellant bij de door zijn zoon geëxploiteerde hennepkwekerij aan te nemen dat sprake zou zijn van medeplegen, maar dat uit het arrest niet kan worden afgeleid dat appellant geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat in de bij de woning van appellant behorende schuur (tweemaal) een hennepkwekerij is aangetroffen. Verder is uit onderzoek afgeleid dat er sprake was van een (zeer) hoog stroomverbruik. Appellants verklaring daarvoor is onvoldoende onderbouwd en niet afdoende om het hoge energiegebruik te verklaren. Appellant heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij in periode I geen kennis had van de hennepkwekerij en daarbij niet zelf betrokken was. Gelet op de mededelingsverplichting van appellant komt het door het Uwv niet kunnen vaststellen van het recht op WAO-uitkering door onvolledige informatieverstrekking voor zijn rekening en risico.
2.2.
Met betrekking tot periode II bieden de onderzoeksresultaten als verwoord in het onderzoeksrapport van 1 juni 2015 naar het oordeel van de rechtbank een toereikende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant in deze periode een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd en merkkleding en wiet heeft verkocht. Het Uwv heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarbij terecht gebaseerd op de door politie IJsselland verrichte waarnemingen en de verklaringen van appellant ten overstaan van de rechercheur nadat hij met deze waarnemingen werd geconfronteerd, alsmede op hetgeen appellant ten overstaan van de themaonderzoeker van het Uwv op 26 mei 2015 heeft verklaard. De omstandigheid dat appellant van zijn handel in wiet en verkoop van merkkleding geen administratie heeft bijgehouden, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening en risico komen.
2.3.
Nu appellant voorts de (vaststelling van de) hoogte van het terugvorderingsbedrag niet heeft bestreden en hij geen gronden heeft aangevoerd tegen de opgelegde boete, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank over periode I ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij er niet in is geslaagd om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en geen inkomsten daaruit heeft ontvangen. Appellant heeft erop gewezen dat hij door het hof is vrijgesproken van betrokkenheid bij en het medeplegen van hennepteelt voor die periode. Voorts heeft de rechtbank volgens appellant ten onrechte geconcludeerd dat het bewijsrisico met betrekking tot het vaststellen van de inkomsten van de kwekerij voor zijn rekening en risico dient te blijven. Het had volgens appellant op de weg van het Uwv gelegen nader onderzoek te verrichten naar de vraag of hij inkomsten heeft genoten. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het Uwv een toereikende feitelijke grondslag heeft gegeven dat hij in periode II een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd, alsmede merkkleding en wiet heeft verkocht. Volgens appellant is die periode te lang en gaat het maar om drie weken. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de omstandigheid dat geen administratie is bijgehouden voor zijn rekening en risico komt.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 4.1. van de aangevallen uitspraak.

4.2.
Voorop moet worden gesteld dat bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, op het Uwv de verplichting rust om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295).
4.3.
Voor de beantwoording van de vraag of het Uwv in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat appellant betrokken is geweest bij het telen en verhandelen van hennep en de handel in merkkleding en daarmee zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, moet onderscheid gemaakt worden tussen periode I en periode II.
Periode I

4.4.
Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat in de bij de woning van appellant behorende schuur een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling dat appellant als bewoner van die woning (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) aan hem ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2139).
4.5.
Appellant heeft tegenover het Uwv, evenals tijdens zijn verhoor bij de politie in 2009, verklaard dat hij niets te maken heeft gehad met de in 2009 ontmantelde kwekerij en dat hij ter zake van de kwekerij overal van is vrijgesproken. Dit strookt met de verklaring van de zoon van appellant tegenover de politie op 15 juni 2009 dat hij de hennepplantage heeft aangelegd en dat appellant daar niets van wist. Appellant heeft zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij steeds ontkend. Zijn zoon is door het hof onherroepelijk veroordeeld voor het telen en verhandelen van hennep in de schuur achter zijn huis, terwijl appellant is vrijgesproken van betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Gelet hierop, het in 1.2 genoemde arrest en de in 1.3 en 1.4 genoemde uitspraken van het hof, heeft appellant aangetoond dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Het feit dat appellant eigenaar is van de schuur achter zijn woning en dat van 2005 tot en met 2010 sprake was van een extreem hoog energieverbruik, biedt in deze context onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant in periode I betrokken is geweest bij de hennepkwekerij. Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant in periode I zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
4.6.
Dit betekent dat het Uwv over periode I ten onrechte de WAO-uitkering heeft ingetrokken en de over die periode uitbetaalde WAO-uitkering (€ 9.189,75) ten onrechte heeft teruggevorderd.
Periode II

4.7.
Appellant is door het hof bij arrest van 29 maart 2013 veroordeeld voor – kort gezegd – het telen en verhandelen van hennep in de periode van 1 augustus 2011 tot 7 september 2011 met een voorwaardelijke strafoplegging. Appellant heeft tegenover de politie verklaard dat hij deze hennepplantage zelf heeft aangelegd. In gelijke zin heeft hij op 26 mei 2015 tegenover het Uwv verklaard. Ook heeft appellant tijdens een politieverhoor op 23 januari 2013 verklaard dat hij gehandeld heeft in wiet. Zowel tegenover het Uwv als bij de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij in periode II € 400,- à € 500,- heeft verdiend met de handel in merkkleding. In de periode van waarneming door de politie van 17 augustus 2011 tot en met 12 oktober 2012 is geconstateerd dat appellant heeft gehandeld in wiet en in merkkleding.
4.8.
Het Uwv heeft op basis van de hiervoor genoemde feiten aannemelijk gemaakt dat appellant in periode II zijn inlichtingenplicht heeft geschonden nu hij de genoemde activiteiten niet heeft gemeld aan het Uwv. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aangetoond dat de schending van zijn inlichtingenplicht om een beperkte periode van drie weken zou gaan.
4.9.
Nu appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden van zijn inkomsten uit de hennepkwekerij en de handel in merkkleding en hij ook anderszins geen objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd die inzicht geven in de door hem ontvangen inkomsten uit de hennepkwekerij en de handel in merkkleding in periode II, is het Uwv volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:578) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Dat deze schatting mogelijk nadelig voor appellant is uitgevallen, komt voor zijn rekening en risico.
De boete

4.10.
Nu appellant een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de schending van de op hem rustende inlichtingenverplichting, was het Uwv in periode II gehouden een boete op te leggen. Het benadelingsbedrag over deze periode bedraagt € 38.540,83. Gelet op het moment waarop de overtreding is begaan en de in verband daarmee op te leggen boete kan deze niet meer bedragen dan € 2.269,- zodat de boete niet wordt gesteld op 10% van het benadelingsbedrag, maar op het genoemde maximum. Er is, gelet op het verwijt dat appellant treft, geen aanleiding om dat bedrag te verlagen.
4.11.
Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.10 is overwogen slaagt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het deel van het bestreden besluit waarbij de WAO-uitkering in periode I is ingetrokken en teruggevorderd, ongegrond is verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het ziet op de intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering in periode I. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 17 juli 2015 in zoverre te herroepen en het bedrag van de herziening en terugvordering vast te stellen op € 38.540,83. De door het Uwv aan appellant opgelegde boete van € 2.269,- blijft ongewijzigd.5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, begroot op € 1.024,-, de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, begroot op € 1.024,- voor kosten rechtsbijstand in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, € 7,41 aan reiskosten in beroep en € 36,60 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 3.116,01.
beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het deel van het - verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 2015 gegrond en vernietigt dat besluit, - herroept het besluit van 17 juli 2015 voor zover het ziet op de periode 23 juni 2007 tot en 7 december 2015;- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.116,01;- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

besluit van 7 december 2015 waarbij de WAO-uitkering in de periode 23 juni 2007 tot en met 3 juni 2009 is ingetrokken en teruggevorderd, ongegrond is verklaard;
voor zover daarbij de WAO-uitkering van appellant in de periode 23 juni 2007 tot en met 3 juni 2009 is ingetrokken en is teruggevorderd;
met 3 juni 2009 en stelt het door het Uwv van appellant terug te vorderen bedrag vast op € 38.540,83 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2019.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC