Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:18

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:18, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/2106 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:18:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 3 januari 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van10 februari 2017, 16/3399 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gümüs en [naam nicht], zijn nicht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Appellant heeft zich op 11 november 2014 ziek gemeld met psychische klachten. Zijn dienstverband is op2 december 2014 geëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een arts van het Uwv appellant op 16 september 2015 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 september 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 67,5% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 9 oktober 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 11 december 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Bij besluit van 15 april 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 oktober 2015 gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2015 herroepen voor zover het de beëindigingsdatum van het ziekengeld betreft en vastgesteld dat appellant met ingang van 19 april 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld. Daaraan zijn ten grondslag gelegd rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 januari 2016 en 5 april 2016 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 maart 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de eerder opgemaakte FML aangepast op 12 januari 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens, met inachtneming van de aangepaste FML van 12 januari 2016, geconcludeerd dat drie van de vijf eerder geselecteerde functies niet meer geschikt zijn voor appellant. Hij heeft vervolgens drie nieuwe functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 66,89% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet (langer) in geschil is dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de functionele mogelijkheden van appellant op correcte wijze zijn vastgesteld. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de in beroep resterende voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant volgens de FML overschrijdt, zodat het Uwv deze functies terecht geschikt heeft geacht voor appellant. De arbeidsdeskundige heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd dat appellant voldoet aan het vereiste opleidingsniveau en de Nederlandse taal voldoende beheerst voor het verrichten van de geselecteerde functies. Naar aanleiding van wat appellant verder heeft aangevoerd als reden waarom de geselecteerde functies voor hem niet geschikt zijn, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ook inzichtelijk gemotiveerd waarom deze functies wel geschikt zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv daarom terecht vastgesteld dat appellant vanaf 10 november 2015 in staat was meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat zijn beperkingen ten gevolge van psychische klachten en rugklachten zijn onderschat. Appellant heeft dit standpunt onderbouwd met informatie van Cirya van 17 mei 2016, 7 september 2017 en 15 september 2017. Door de bijwerkingen van de door hem gebruikte medicijnen is hij niet in staat arbeid te verrichten en apparaten en/of machines te besturen. Ook als gevolg van zijn overige beperkingen kan hij de geselecteerde functies niet verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 11 januari 2017 blijkt dat de toenmalige gemachtigde van appellant desgevraagd heeft verklaard dat de FML als zodanig niet meer in geding is. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet in geschil is dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en de getrokken conclusies kan dragen. De functionele mogelijkheden zijn derhalve op correcte wijze vastgesteld. Vervolgens is alleen de geschiktheid van de geselecteerde functies door de rechtbank beoordeeld.
4.3.
Gelet op wat in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is opgenomen heeft appellant zijn beroepsgrond, dat hij meer beperkt is dan door het Uwv in de FML is vastgesteld, in beroep expliciet prijsgegeven. Appellant heeft daarmee de omvang van het geding uitdrukkelijk en welbewust beperkt. De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak daarom terecht onthouden van een oordeel over de juistheid van de FML en zich – eveneens terecht – beperkt tot een beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies op basis van de door appellant daartegen ingebrachte beroepsgronden. Het staat appellant onder deze omstandigheden niet vrij deze uitdrukkelijk prijsgegeven beroepsgrond in hoger beroep weer aan te voeren door de juistheid van de FML ter discussie te stellen. Dat appellant inmiddels een andere gemachtigde heeft doet hier niet aan af, omdat het handelen van zijn voormalige gemachtigde voor zijn rekening komt. Appellant was bovendien samen met zijn echtgenote op de zitting van de rechtbank aanwezig. Dit betekent dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van de FML van 12 januari 2016 en, gelet op de overige door appellant aangevoerde beroepsgronden, in hoger beroep nog slechts diens geschiktheid voor de geselecteerde functies aan de orde is.
4.4.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij door zijn beperkingen op het gebied van het verdelen en vasthouden van de aandacht en duwen, alsmede door de effecten van zijn medicijngebruik, niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank heeft in de overwegingen 5.4 en 5.5 van de aangevallen uitspraak uitgebreid en inzichtelijk gemotiveerd waarom wat appellant tegen de geselecteerde functies heeft aangevoerd niet slaagt. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies, uitgaande van de juistheid van de FML van 12 januari 2016, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat appellant voldoet aan het voor de functies vereiste opleidingsniveau en dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerst voor het verrichten van deze functies. De overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven.
5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J.J.M. Weyers enD. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.
(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H. Achtot

LO