Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1633

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 16-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1633, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2633 AOR


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1633:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam 1] beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 april 2018, kenmerk BZ011176165 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam 1] , [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1952, heeft in september 2017 verzocht om toekenningen op grond van de AOR.
1.2.
Bij besluit van 29 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR. In dat verband is overwogen dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gebeurtenis in Soerabaja waarbij een groep pemoeda’s het erf opkwam en er een dreigende situatie ontstond, heeft plaatsgevonden voor 1 februari 1954.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang: het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen
- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen; - gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.
2.2.
Verweerder stelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gebeurtenis in Soerabaja waarbij een groep van pemoeda’s het erf opkwam en er een dreigende situatie ontstond, heeft plaatsgevonden ná 1 februari 1954. Die gebeurtenis kan om die reden niet als een AOR-omstandigheid kan worden aangemerkt. De Raad volgt verweerder in dat standpunt. Uit de verklaring van de moeder van appellant kan worden afgeleid dat de gestelde gebeurtenis heeft plaatsgevonden vlak voor het gezin in 1957 Indonesië verliet. Zo vermeldt zij na het benoemen van het voorval dat met zoveel vijandigheid en angst een normaal leven niet meer mogelijk was en dat zij in 1957 heeft besloten het land voorgoed te verlaten. De broer van appellant plaatst het voorval weliswaar aan het eind van het jaar 1953, maar in het licht van de verklaring van de moeder en het herhaaldelijk verklaren van appellant dat hij herinneringen heeft aan het incident, is het voldoende aannemelijk dat deze gebeurtenis niet vóór 1 februari 1954 heeft plaatsgevonden. Wat ter zitting van de zijde van appellant naar voren is gebracht geeft geen aanleiding anders te oordelen.
2.3.
Uit 2.2 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F.H.R.M. Robbers

lh