Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1632

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 16-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1632, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/4757 WUV


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1632:DOC
nl

18


Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Israël (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 juni 2018, kenmerk BZ011149866 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2019. Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1945, is als zogenoemd tweede generatie-oorlogsslachtoffer met de vervolgde in de zin van de Wuv gelijkgesteld. In dat verband is aanvaard dat hij psychische klachten heeft die in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. Aan appellant is onder meer toegekend een vergoeding voor een dagdeel huishoudelijke hulp per week.
1.2.
Het verzoek van appellant van januari 2006 om toekenning van een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp is afgewezen bij besluit van 29 augustus 2006 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2007 wegens het ontbreken van een medische noodzaak voor de gevraagde uitbreiding. Het tegen het besluit van 28 februari 2007 ingestelde beroep is bij uitspraak van 9 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC1963, ongegrond verklaard.
1.3.
In april 2017 heeft appellant opnieuw verzocht om uitbreiding van de huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van15 augustus 2017. De afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat geen sprake is van een medische noodzaak voor uitbreiding van de huishoudelijke hulp.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulpper week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen onderschreven (bijvoorbeeld in de uitspraak van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2493).
2.2.
Het voorgaande brengt mee dat voor het beantwoorden van de vraag of appellant aanspraak kan maken op twee dagdelen huishoudelijke hulp niet van belang is of de lichamelijke klachten in verband staan met de vervolgingsgevolgen van zijn ouders. Een causaliteitsoordeel kan om die reden achterwege blijven.
2.3.
Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder is met name gebaseerd op het door de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager, arts, uitgebracht advies. Deze arts heeft op basis van een persoonlijk onderhoud dat zij met appellant heeft gehad en informatie van de huisarts J. Göddeke geconcludeerd dat er geen medische noodzaak is voor uitbreiding van het aan appellant toegekende ene dagdeel huishoudelijke hulp.
2.4.
De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen. Tijdens het persoonlijk onderhoud dat Ohlenschlager met appellant heeft gehad zijn de (on)mogelijkheden van appellant binnen het huishouden voldoende uitgevraagd. Appellant ondervindt beperkingen vanwege knieklachten als gevolg van artrose en handklachten als gevolg van psoriasis. Daarnaast heeft appellant last van evenwichtsproblemen. Dat hij ten tijde hier van belang niet meer in staat is tot het verrichten van lichte huishoudelijke werkzaamheden is uit het onderzoek niet naar voren gekomen. Zo doet appellant de was (behalve het opvouwen van de schone droge was), kan hij opruimen, doet geregeld de afwas, is in staat om af te stoffen en doet vrijwel dagelijks lichte boodschappen. Medische gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de mogelijkheden van appellant op het gebied van lichte huishoudelijke werkzaamheden ten tijde hier van belang zijn onderschat, zijn niet aangetroffen. De huisarts Göddeke stelt in haar verklaring van 22 augustus 2018 weliswaar dat gezien de medische toestand van appellant uitbreiding van huishoudelijke hulp noodzakelijk is, maar daarmee is nog niet voldaan aan de onder 2.1 genoemde criteria. Dat zou anders kunnen zijn als de arts duidelijk vermeldt op grond van welke beperkingen betrokkene de lichte huishoudelijke werkzaamheden niet meer kan verrichten. Nu evenmin is gesteld of gebleken is dat bij appellant sprake is van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag bestaat voor meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp ten tijde hier van belang geen medische noodzaak.
2.5.
Uit 2.4 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van F.H.R.M. Robbers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) F.H.R.M. Robbers

lh