Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1624

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 16-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1624, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/888 WW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1624:DOC
nl

17



Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2016, 16/2424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.B. Jobse, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Namens appellante is mr. Jobse verschenen, vergezeld door [naam] , echtgenoot van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is met ingang van 1 mei 2014 in dienst getreden bij [BV] (werkgeefster) in de functie van postverspreider C voor minimaal drie uur per week op basis van een tijdelijk contract tot 31 oktober 2014. Het contract van appellante is tweemaal verlengd. Laatstelijk was appellante werkzaam op basis van een contract dat liep van 1 november 2015 tot en met 1 mei 2016. Op 24 november 2015 heeft appellante haar contract per 23 december 2015 opgezegd in verband met haar verhuizing op 23 december 2015 van een woning in de wijk [naam wijk 1] naar een woning in de wijk [naam wijk 2] , beide gelegen in de gemeente [gemeente] .

1.2.
Appellante heeft op 1 december 2015 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
1.3.
Bij besluit van 10 december 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 24 december 2015 recht heeft op een uitkering op grond van de WW, maar dat de uitkering niet tot uitbetaling komt omdat appellante verwijtbaar werkloos is geworden. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 december 2015 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden, omdat zij ontslag heeft genomen, terwijl aan de voortzetting van het dienstverband niet zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van haar kon worden verlangd. Er was voor appellante geen acute noodzaak om te verhuizen. Volgens het Uwv is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verminderde verwijtbaarheid kan worden aangenomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het feit dat appellante ander werk heeft geprobeerd te verkrijgen bij werkgeefster niet maakt dat appellante niet verwijtbaar werkloos is geworden. Dat appellante wilde voldoen aan de wettelijke opzegtermijn maakt evenmin dat appellante haar ontslagname niet kan worden verweten. Appellante had volgens de rechtbank de reactie van werkgeefster op haar verzoek om andere werkzaamheden moeten afwachten voordat zij ontslag nam. Volgens de rechtbank was er geen noodzaak voor de verhuizing. Bovendien had appellante een adres in de wijk [naam wijk 1] kunnen aanwijzen waar haar post kon worden gebracht zodat zij haar contract had kunnen uitdienen. Uit een telefoongesprek dat het Uwv met werkgeefster heeft gevoerd volgt dat het handig is in de buurt van de bezorgwijk te wonen maar dat dit niet verplicht is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door appellante gestelde omstandigheden evenmin kunnen leiden tot het oordeel dat voortzetting van het dienstverband van appellante niet kon worden gevergd. Er is geen sprake van verminderde of geen verwijtbaarheid. Evenmin is de rechtbank gebleken dat er sprake is van dringende redenen om van een maatregel af te zien.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep primair staande gehouden dat de in bezwaar en beroep aangevoerde omstandigheden maken dat voortzetting van de werkzaamheden niet van haar kon worden gevergd. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de werkloosheid haar niet in overwegende mate kan worden verweten. Volgens appellante was zij genoodzaakt te verhuizen, omdat de wijk [naam wijk 1] zou worden gesloopt. De sloop zou in 2017 starten en moest uiterlijk in 2020 zijn afgerond. Appellante had een zogenoemde woonpas voor een andere woning, maar daaraan zijn voorwaarden verbonden. Zo moet regelmatig op een woningaanbod worden gereageerd en het weigeren van een woning is maar beperkt mogelijk. De woning in de wijk [naam wijk 2] voldeed aan alle wensen en door deze woning te accepteren voorkwam appellante dat ze in 2017 gedwongen moest verhuizen. Appellante acht het niet redelijk dat van haar wordt verlangd dat zij wacht met verhuizen tot de feitelijke sloop van haar woning. De nieuwe woning ligt op tien kilometer afstand van de oude woning en deze afstand maakte dat het dienstverband bij werkgeefster niet kon worden voortgezet. Appellante stelt dat werkgeefster verlangt dat een medewerker die post bezorgt in of in de buurt van de bezorgwijk woont. Het regelen van een adres in de wijk [naam wijk 1] , waar de post kon worden afgeleverd, was geen reële optie. Vanuit de nieuwe woning het dienstverband voortzetten zou betekenen dat appellante met een grote hoeveelheid post met het openbaar vervoer naar de voormalige woonwijk zou moeten reizen. Dat kon in redelijkheid niet van haar worden gevergd. Daarbij komt dat appellante een lichte vorm heeft van autisme, namelijk PDD-NOS, en daarom behoefte heeft aan rust en een gestructureerd leven. Appellante heeft aangevoerd dat zij wel open stond voor ander (bezorg)werk bij werkgeefster en dat zij zich heeft ingespannen om in overleg met werkgeefster een oplossing te bedenken in de vorm van vervangend werk. Bovendien moest zij bij het bepalen van het moment van opzeggen van het dienstverband rekening houden met de voor haar geldende opzegtermijn.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
4.1.2.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW brengt het Uwv bij het niet nakomen van de verplichting verwijtbare werkloosheid te voorkomen een bedrag blijvend op de uitkering in mindering, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste 26 weken.
4.1.3.
Op grond van artikel 27, achtste lid, van de WW kan het Uwv afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2.
Met de rechtbank en het Uwv wordt geoordeeld dat geen sprake was van zodanige omstandigheden dat er voor appellante een noodzaak bestond om haar dienstbetrekking (al) op 24 november 2015 op te zeggen. Te begrijpen is dat appellante ervoor heeft gekozen de in november 2015 aangeboden woning te accepteren, maar vanuit het oogpunt van de WW zijn de feiten en omstandigheden waaronder de woning is geaccepteerd niet te duiden als een situatie waarin appellante op dat moment niet anders kon dan de woning accepteren. Wat namens appellante ter zitting ter onderbouwing van haar standpunt is toegelicht over de huurwoningmarkt in de gemeente [gemeente] is niet met stukken onderbouwd en is, nu het (eerste) jaar van sloop nog ruim één jaar weg lag, onvoldoende om te concluderen dat sprake was van een situatie waarin appellante geen andere keuze had dan de aangeboden woning te accepteren. Daarbij komt dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was om na de verhuizing naar de woning in de wijk [naam wijk 2] haar (bezorg)werkzaamheden in de wijk [naam wijk 1] , eventueel met gebruikmaking van het openbaar vervoer en in afwachting van het beschikbaar komen van een dichterbij gelegen bezorgwijk of ander werk dichterbij, voort te zetten. Appellante heeft op voorhand aangenomen dat dit niet tot de mogelijkheden behoorde, terwijl van haar vanuit het oogpunt van de toepassing van de WW mocht worden verlangd dat zij dit ten minste had onderzocht en uitgeprobeerd. De medische klachten van appellante maken dit niet anders. Daarbij wordt aangetekend dat het enige stuk over de medische situatie van appellante een brief is van Rivierduinen van 28 augustus 2014 en dat deze brief geen verdere informatie bevat dan dat in 2005 bij appellante de diagnose PDD-NOS is gesteld.
4.3.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en dat het Uwv was gehouden een maatregel op te leggen.
4.4.
Anders dan de rechtbank en het Uwv wordt appellante gevolgd in haar stelling dat de werkloosheid haar niet in overwegende mate valt te verwijten. Daarbij is van belang dat aangenomen kan worden dat in een situatie waarin sloop van de woning, zij het nog enige tijd weg, concreet in het verschiet ligt, het afwijzen van een geschikte woning het risico meebrengt dat een dergelijk aanbod niet nog een keer wordt gedaan. Bovendien is het voorstelbaar dat voor appellante de combinatie van de aflevering door werkgeefster van de te bezorgen post en het vervolgens bezorgen van de post in een wijk die per fiets op ongeveer 10 kilometer afstand van de nieuwe woning ligt, onoverkomelijk leek en zij er daarom op voorhand van uitging dat verhuizing betekende dat het werk van postbezorging in [naam wijk 1] niet meer mogelijk was. Daarbij speelt een rol dat appellante, door de variërende hoeveelheid post, onder omstandigheden niet alle post in één keer mee zou kunnen nemen en zij dus gedwongen zou zijn twee keer deze afstand af te leggen, hetgeen zou neerkomen op een totaal per fiets af te leggen aantal van 40 kilometer per dag. Te begrijpen valt dat appellante in die situatie de arbeidsovereenkomst heeft willen opzeggen, met inachtneming van de voor haar geldende opzegtermijn. Daarbij heeft zij blijkens de door haar overgelegde e-mailberichten werkgeefster op de hoogte gesteld van het woningaanbod en de mogelijk aanstaande verhuizing en gevraagd of er andere werkzaamheden of een andere bezorgwijk beschikbaar was. Voordat appellante haar arbeidsovereenkomst opzegde was echter duidelijk dat er geen baan op kantoor beschikbaar was en werkgeefster heeft op 23 februari 2016 aan het Uwv laten weten dat er ook geen wijk meer in de buurt van de nieuwe woning beschikbaar was. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang bezien leiden tot de conclusie dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Nu in het bestreden besluit tot een andersluidende conclusie is gekomen voldoet dat besluit niet aan de motiveringseis neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.5.
Het hoger beroep slaagt daarom en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep alsnog gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Het Uwv moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak, uitgaande van de situatie dat de werkloosheid appellante niet in overwegende mate valt te verwijten.
5. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om te bepalen dat dit besluit binnen zes weken na verzending van deze uitspraak moet zijn genomen en zal voorts, zoals met partijen ter zitting is besproken, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb worden bepaald dat tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.048,-.
beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak;- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 februari 2016;- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.048,-;- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

deze uitspraak binnen zes weken na verzending van deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter, en A.I. van der Kris en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC