Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1623

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 16-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1623, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/2451 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1623:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2017, 15/8030 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. U.J. van der Veldt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is op 23 november 2010 uitgevallen voor haar werk als kamermeisje en op 30 juni 2011 voor haar werk als schoonmaakster wegens rugklachten. Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van 20 november 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Appellante ontvangt sinds 20 mei 2014 een WGA‑loonaanvullingsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.2.
Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling door de voormalig werkgever van appellante heeft het Uwv bij besluit van 8 juni 2015 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 48,94% en bepaald dat de loonaanvullingsuitkering van appellante ongewijzigd wordt voortgezet tot 1 juli 2017. Bij besluit van 30 oktober 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag een door een verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 2 oktober 2015, op basis waarvan de eerder voor appellante geselecteerde functies volgens een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog steeds door appellante kunnen worden vervuld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, was aanwezig bij de hoorzitting en heeft appellante op het spreekuur onderzocht. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft niet onderbouwd dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld. De rechtbank heeft verder overwogen dat de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij slechts opleidingsniveau 1 heeft of dat haar beheersing van de Nederlandse taal een belemmering is voor het verrichten van de geselecteerde functies.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen door het Uwv onvoldoende zijn onderkend. De verzekeringsartsen hebben onvoldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking is aangenomen, terwijl bij de medische beoordeling in september 2012 nog vastgesteld werd dat appellante maximaal vier uren per dag kon werken en haar medische situatie sindsdien alleen maar verslechterd is. Daarnaast blijkt uit de overgelegde medische informatie dat sprake is van een proces van degeneratieve afwijkingen aan het ruggenmergkanaal met een vernauwing daarvan tot gevolg. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar brieven van haar behandelend neuroloog van 11 december 2015, 31 maart 2016, 14 juni 2016 en 12 mei 2017.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Ter zitting is gebleken dat appellante met ingang van 5 januari 2018 een IVA-uitkering ontvangt en dus volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is bevonden. In deze zaak staat ter beoordeling of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op 8 juni 2015 terecht heeft vastgesteld op 48,84%.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de functionele mogelijkheden van appellante juist zijn vastgesteld. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid worden onderschreven. Over de in hoger beroep overgelegde medische informatie van de behandelend neuroloog van appellante wordt als volgt overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 30 juni 2017 op adequate wijze op deze stukken gereageerd en overtuigend gemotiveerd dat de geconstateerde wervelkanaalstenose geen ander licht werpt op de eerder door appellante geuite klachten en de voor haar vastgestelde beperkingen. Rond de datum in geding zijn bij appellante geen ernstige afwijkingen, zoals uitvalverschijnselen, sensibiliteitstoornissen, spierzwakte of spieratrofie, geconstateerd zodat er geen aanleiding bestond om verdergaande beperkingen aan te nemen. Hiermee is op inzichtelijke wijze en voldoende overtuigend gemotiveerd waarom het stuk van de neuroloog van 12 mei 2017 geen aanleiding geeft om voor appellante op de datum in geding zwaardere beperkingen aan te nemen. Er zijn geen aanknopingspunten om hier anders over te oordelen. Gelet op het rapport van 17 juni 2016 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waren de brieven van de neuroloog van 31 maart 2016 en 11 december 2015 al bekend en ook bij de beoordeling betrokken, terwijl de brief van 14 juni 2016 geen nieuwe informatie bevat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 30 juni 2017 en rapport van 2 oktober 2015 ook gemotiveerd aangegeven waarom er geen aanleiding bestaat een urenbeperking aan te nemen. Dat sprake zou zijn van de noodzaak voor een urenbeperking om preventieve redenen of vanwege verminderde beschikbaarheid is niet gebleken. Ook een urenbeperking op energetische gronden is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan de orde nu door het beperken van fysieke inspanningen extra recuperatie niet medisch noodzakelijk is. Appellante heeft geen medische stukken overgelegd op grond waarvan tot een ander oordeel moet worden gekomen.
4.3.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Overige arbeidskundige gronden zijn door appellante in hoger beroep niet aangevoerd.
4.4.
Gelet op de overwegingen 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) L. Boersma

OS