Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1622

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 16-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1622, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4140 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1622:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 16 mei 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 april 2017, 16/5799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. Namens appellant is mr. dank, advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1. Naar aanleiding van een fraudemelding heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van aan appellant verstrekt ziekengeld en verstrekte toeslag. Uit dit onderzoek is het Uwv gebleken dat appellant werkzaamheden in de periode van 1 juni 2015 tot en met 20 oktober 2015 niet heeft opgegeven. Bij besluit van 22 december 2015 heeft het Uwv het over de periode van 1 juni 2015 tot en met 20 oktober 2015 toegekende ziekengeld herzien en bepaald dat appellant het ontvangen ziekengeld over die periode tot een bedrag van
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, zelf in de zaak voorzien en de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 22 december 2015 alsnog niet-ontvankelijk verklaard wegens niet‑verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft als reden voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat hij niet beschikt over een eigen postadres en zijn post binnenkomt op het adres van zijn zus. Zijn zus heeft psychische problemen waardoor zij na een ruzie met appellant zijn post uit woede kan weggooien. Als appellant zijn post op tijd had gekregen was hij meteen naar een advocaat gestapt. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze omstandigheden geen verschoonbare reden opleveren voor de te late indiening van het bezwaar. Het had op de weg van appellant gelegen om maatregelen te treffen om te voorkomen dat aan hem gerichte post hem niet zou bereiken. Doet hij dan niet, dan komen de gevolgen daarvan voor eigen rekening. Het Uwv had volgens de rechtbank de bezwaren van appellant dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
€ 3.152,70 bruto moet terugbetalen. Bij besluit van eveneens 22 december 2015 heeft het Uwv de aan appellant verstrekte toeslag over diezelfde periode herzien en bepaald dat appellant de toeslag moet terugbetalen tot een bedrag van € 1.084,67 bruto. Ten slotte heeft het Uwv bij besluit van eveneens 22 december 2015 aan appellant een boete opgelegd van € 2.120,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Het Uwv heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 22 december 2015 bij beslissing op bezwaar van 29 juli 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door zijn bezwaren niet-ontvankelijk te verklaren wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Als reden voor deze termijnoverschrijding heeft appellant herhaald dat hij niet beschikt over een eigen postadres, zijn post binnenkomt op het adres van zijn zus, zij psychische problemen heeft en na een ruzie met appellant al zijn post uit woede heeft weggegooid. Nu het Uwv deze door appellant gegeven verklaring bij het bestreden besluit verschoonbaar heeft geacht, komt het appellant vreemd voor dat het Uwv in de beroepsfase afwijkt van zijn standpunt, de rechtbank verzoekt om niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren, en de rechtbank het Uwv daarin volgt.
3.2.
Het Uwv verzoekt om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat appellant eerst na afloop van de bezwaartermijn bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 22 december 2015. De vraag dient te worden beantwoord of de rechtbank terecht het Uwv gevolgd heeft in zijn in beroep alsnog ingenomen standpunt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en de bezwaren van appellant om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4.2.
Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Indien een belanghebbende stelt dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift het gevolg is van een volgens hem niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, rust op hem de last aannemelijk te maken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Appellant is hierin niet geslaagd. Het oordeel van de rechtbank dat appellant, in de wetenschap dat zijn zus kennelijk voor hem bestemde post weggooit, maatregelen had moeten treffen om er voor te zorgen dat post hem op het bij het Uwv bekende postadres zou bereiken, wordt onderschreven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.
4.3.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2019.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) L. Boersma

VC