Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1616

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-05-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 15-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1616, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/7905 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1616:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 november 2016, 16/2237 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam stichting] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 15 mei 2019

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2018. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Onzen. Namens betrokkene is mr. B. van Bekkum verschenen.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Sinds augustus 2011 benadert betrokkene het Uwv met formulieren “Vragen over uitkering of belemmering bij werk”, om inzicht te verkrijgen in haar bestand arbeidsgehandicapten/arbeidsbeperkten. Daarbij machtigen de werknemers het Uwv eenmalig om informatie omtrent hun arbeidsgehandicaptenstatus aan betrokkene te leveren. Tot januari 2015 heeft het Uwv deze informatie kosteloos verstrekt.
1.2.
Bij brief van 2 december 2014 heeft het Uwv de gemachtigde van betrokkene geïnformeerd over het in rekening gaan brengen bij werkgevers van kosten voor het afhandelen van informatieverzoeken over uitkering of belemmering van werk. Het Uwv brengt vanaf 1 januari 2015 voor dergelijke informatieverzoeken € 25,- per aanvraag in rekening.
2.1.
In juli 2015 heeft [naam B.V.] ([naam B.V.]) namens betrokkene voor een drietal werknemers van betrokkene bij het Uwv een zogenaamde uitvraag status no-riskpolis gedaan. Met het daarvoor bestemde formulier hebben de drie werknemers het Uwv gemachtigd om informatie over hun uitkering of belemmering bij werk aan betrokkene op te sturen.
2.2.
Op 25 augustus 2015 heeft het Uwv aan [naam B.V.] een factuur gezonden, waarbij een bedrag van € 75,- in rekening is gebracht voor gemaakte behandelingskosten in verband met de afhandeling van deze uitvraag.
2.3.
Het Uwv heeft het bezwaar tegen deze factuur bij beslissing op bezwaar van 21 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar is overwogen dat de factuur een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor het in rekening brengen van kosten voor informatieverzoeken op grond van artikel 38b van de Ziektewet (ZW) geen wettelijke grondslag bestaat. De LISV-mededeling M 99.060 van 28 mei 1999 (de LISV-mededeling) waarin is opgenomen dat in het geval niet bij of krachtens wet is voorgeschreven dat de gegevensverstrekking kosteloos moet plaatsvinden, een tarief in rekening wordt gebracht, is daarvoor onvoldoende, zelfs als deze kan worden aangemerkt als een beleidsregel. De rechtbank kan het Uwv niet volgen in zijn standpunt dat hij kosten in rekening mag brengen omdat in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) niet staat dat dit niet mag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv, vanwege het ontbreken van een formele wettelijke basis, geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft voor het in rekening brengen van de kosten. De factuur die is verstuurd ziet daarmee niet op een publiekrechtelijk rechtsgevolg en kan om die reden niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.1.
In hoger beroep heeft het Uwv het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden. Het Uwv verwijst allereerst naar de parlementaire stukken van de Wet Suwi, diverse artikelen uit de Wet Suwi en de LISV-mededeling. Daaruit kan a contrario worden afgeleid dat als niet bij of krachtens wet is bepaald dat de gegevensverstrekking kosteloos moet plaatsvinden, een tarief in rekening wordt gebracht. Ten tweede stelt het Uwv dat de verstrekking van deze gegevens publiekrechtelijk van aard is. Immers het Uwv heeft deze gegevens onder zich vanwege de taak als uitvoerder van de sociale verzekeringswetten. Dat het Uwv de gegevens zonder expliciete publiekrechtelijke verplichting aan de werkgever verstrekt, maakt niet dat deze verstrekking van die publiekrechtelijk verkregen gegevens dan niet meer publiekrechtelijk van aard zou zijn. Daarnaast kan het Uwv deze gegevens alleen verstrekken met inachtneming van het (publiekrechtelijk) bepaalde in artikel 74 Wet Suwi. Artikel 74, eerste lid, van de Wet Suwi legt immers aan Uwv een geheimhoudingsplicht op met betrekking tot de gegevens die Uwv onder zich heeft. Deze geheimhoudingsplicht kan, blijkens artikel 74, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet Suwi, met een schriftelijke machtiging van de werknemer worden doorbroken. Dat is in dit geval ook gebeurd, de werknemers hebben Uwv schriftelijk toestemming gegeven de gegevens aan een derde, in casu [naam B.V.] als gemachtigde van de werkgever, te verstrekken. Nu de gegevensverstrekking die aan de factuur ten grondslag ligt publiekrechtelijk is, houdt dat in dat de factuur een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is.
4.2.
Betrokkene heeft zich in het incidenteel hogerberoepschrift en het verweerschrift achter de aangevallen uitspraak gesteld. Betrokkene merkt op dat het gaat om verzoeken van werknemers die, indien onduidelijkheid bestaat over hun status, de werkgever machtigen om in dat geval gegevens bij het Uwv op te vragen. Voor betrokkene is onduidelijk waarop het in rekening brengen van de kosten van € 25,- per verzoek is gebaseerd. Bij gebreke van een wettelijke grondslag mag het Uwv voor de gegevensverstrekking geen kosten in rekening brengen.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de factuur van 25 augustus 2015 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is. Het Uwv had het bezwaar van betrokkene daartegen niet-ontvankelijk moeten verklaren.
5.2.
Onder een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Niet in geschil is dat de factuur van 25 augustus 2015 van het Uwv een schriftelijke beslissing is van een bestuursorgaan. Partijen zijn verdeeld over de vraag of die beslissing moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als zij is gebaseerd op een publiekrechtelijke grondslag. In de regel is daarvoor vereist dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het verrichten van die handeling ontleent aan een specifiek wettelijk voorschrift.
5.3.
Ingevolge artikel 38b, eerste lid, van de ZW informeert de werknemer op verzoek zijn werkgever over zijn mogelijke aanspraak op ziekengeld op grond van artikel 29b of 29d van de ZW.
5.4.
Vastgesteld wordt dat artikel 38b, eerste lid, van de ZW geen specifieke wettelijke, en dus ook geen publiekrechtelijke, grondslag bevat voor de gegevensverstrekking door het Uwv aan de werkgever. Deze bepaling verplicht immers uitsluitend de werknemer om zijn werkgever op verzoek te informeren over zijn mogelijke aanspraak op ziekengeld op grond van artikel 29 of 29d van de ZW. De a contrario-redenering van het Uwv wordt niet gevolgd. Deze redenering ziet namelijk op de vraag of er kosten in rekening mogen worden gebracht voor de hier bedoelde gegevensverstrekking door het Uwv en niet op de vraag of er voor die gegevensverstrekking op zich een publiekrechtelijke grondslag is. De vraag of er kosten in rekening mogen worden gebracht, ligt nog niet voor. In geschil is immers allereerst of de factuur een besluit is.
5.5.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat ook de LISV-mededeling onvoldoende is om te dienen als grondslag voor de factuur.
5.6.
In zeer bijzondere gevallen kan een beslissing van een bestuursorgaan die wordt genomen in het kader van een dat bestuursorgaan toegekende publieke taak die niet op een specifieke bevoegdheidstoekennende publiekrechtelijke grondslag berust, niettemin als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222). Een dergelijk zeer bijzonder geval doet zich hier niet voor. De enkele omstandigheid dat het gaat om (facturering van) kosten die gepaard gaan met de verstrekking van bij het Uwv als uitvoerder van de sociale verzekeringswetten berustende gegevens, maakt niet dat hier een zeer bijzonder geval aan de orde is.
5.7.
De conclusie is dat de factuur niet kan worden gekwalificeerd als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
5.8.
Uit de overwegingen 5.1 tot en met 5.7 volgt dat het hoger beroep van het Uwv niet slaagt. Het voorwaardelijk ingestelde hoger beroep van betrokkene behoeft geen beoordeling. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
7. Van het Uwv wordt op grond van artikel 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.
beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-;- bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 503,- wordt geheven.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.B. Kleiss en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van Y. Azirar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019.

(getekend) J.P.M. Zeijen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

VC