Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:16

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:16, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/841 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:16:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 2 januari 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 december 2016, 16/2569 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.H. Kappelhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kappelhof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als servicemedewerker tankstation. Hij heeftzich op 9 oktober 2011 ziek gemeld. Het Uwv heeft appellant met ingang van 6 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij een situatie van tijdelijk geen benutbare mogelijkheden werd aangenomen in verband met een operatieve ingreep. Deze uitkering is met ingang van 6 augustus 2015 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling heeft in 2015 een verzekeringsgeneeskundig enarbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 22 juni 2015 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 23 augustus 2015 geen recht meer heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 3 mei 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellant gezien en lichamelijk onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien en lichamelijk onderzoek verricht. Vervolgens is informatie opgevraagd en verkregen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden is om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de vastgestelde belastbaarheid zoals neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2016. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat van belang is wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De rechtbank heeft verder de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van de geschiktheid voor appellant van de geselecteerde functies afdoende geacht.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep in essentie de beroepsgronden herhaald. Hij heeft aangevoerd dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onvolledig en onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft geen medische informatie opgevraagd en dit is in bezwaar niet volledig recht gezet. Verder is het medisch onderzoek summier geweest en acht appellant de verzekeringsartsen onvoldoende deskundig. Daarnaast acht appellant zich verdergaand beperkt dan door de verzekeringsartsen is aangenomen. Dit is ook gebleken uit lichamelijk onderzoek. Het is voor appellant onbegrijpelijk dat geconcludeerd wordt dat de aard van de problematiek leidend is en niet de ernst van de klachten. De ernst van de klachten bepaalt de mate waarin iemand beperkt is. Ter zitting is hier namens appellant aan toegevoegd dat er sprake is van een bijzonder geval omdat er, ondanks dat geen ziekteoorzaak gevonden kan worden, geen reden is om te twijfelen aan de beperkingen. Er moet daarom uitgegaan worden van de door appellant aangegeven klachten dan wel een deskundige worden ingeschakeld.Tot slot heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat de medische belastbaarheid niet juist is vastgesteld.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven. Daaraan wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4896, toegevoegd dat voor een zorgvuldig onderzoek duur en omvang van het lichamelijk onderzoek niet doorslaggevend zijn.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de vastgestelde beperkingen zijn in de kern een herhaling van wat hij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere onderbouwing gegeven waarom hij de overwegingen van de rechtbank niet juist acht, anders dan dat hij herhaald heeft meer beperkt te zijn dan waarvan door het Uwv is uitgegaan. Evenmin heeft hij nieuwe medische informatie ingediend die aanknopingspunten biedt voor een ander oordeel over de in de FML opgenomen beperkingen. Gelet hierop verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De namens appellant ter zitting aangevoerde grond dat er sprake is van een bijzonder geval dat aanleiding zou moeten geven om meer beperkingen aan te nemen kan de Raad niet volgen. Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 31 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2580) is sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. In bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum) eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.
4.4.
In het geval van appellant is geen sprake van een bijzonder geval als omschreven onder 4.3. De medische informatie biedt daarvoor geen grond. De behandelende artsen kunnen de door appellant naar eigen zeggen ervaren klachten en beperkingen niet vaststellen. De neuroloog F.E. Reesink heeft appellant gezien op 4 november 2015 en in zijn brief vermeld dat de MRI-LSWK geen afwijkingen vertoont, met name geen HNP. Er zijn mogelijk oude afwijkingen maar er is geen aanwijzing voor radiculopathie. Borrelia-serologie is negatief. De neuroloog heeft vervolgens geadviseerd om appellant opnieuw te verwijzen naar een revalidatiearts voor therapeutische mogelijkheden en eventueel werkgerelateerde problematiek. De revalidatiearts J.B. Posthumus heeft appellant op 21 december 2015 onderzocht en vermeld dat appellant bij lichamelijk onderzoek het linkerbeen goed belast. De kracht is verder niet goed te beoordelen door ervaren balansproblemen, maar deze lijkt goed. De sensibiliteit is intact, subjectief een doof gevoel in alle tenen van beide voeten. De mobiliteit van zijn wervelkolom is volgens de revalidatiearts ongestoord, lasegue negatief, bij heffen van het linkerbeen is er wel een verkort spiergevoel. Pijn wordt aangegeven links paravertebraal, ter plaatse is echter geen hypertonie geconstateerd door de revalidatiearts. De revalidatiearts heeft appellant geadviseerd om zelf actief te gaan bewegen, gedoseerd en gevarieerd opbouwen met extra aandacht voor ontspanning. Gelet hierop wordt dan ook geoordeeld dat er geen sprake is van een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerd en verantwoorde opvatting onder de betrokken deskundigen dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.
4.5.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat er geen reden is om te twijfelen aan de belastbaarheid zoals door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld in de FML van 26 april 2016. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Er is dan ook geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.
4.6.
Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat, uitgaande van de juistheid van de FML van 26 april 2016, afdoende is gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht om de geselecteerde functies te vervullen.
4.7.
Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van O.V. Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) O.V. Vries

LO