Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:15

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 02-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:15, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/7677 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:15:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 december 2016, 15/3798 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[Betrokkene] te [vestigingsplaats] (betrokkene)

[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)

Datum uitspraak: 2 januari 2019

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Croonen, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J.M.H. Lagerwaard. Voor betrokkene is verschenen D. Wiegers, bijgestaan door mr. Croonen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Werkneemster heeft vanaf 1 oktober 1992 in dienst van betrokkene gewerkt, laatstelijk in de functie van [functie A] voor 32 uur per week bij een gezinsvervangend tehuis voor mensen met een verstandelijke beperking. Deze functie was fysiek en psychisch belastend. Werkneemster is op 24 juni 2013 uitgevallen als gevolg van lichamelijke klachten. In de zomer van 2013 heeft zij ook psychische klachten gekregen, die haar hebben belemmerd weer te beginnen met haar werkzaamheden.
1.2.
Ten tijde van de zogenoemde Eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak WIA op 24 juni 2014 hebben betrokkene en werkneemster vastgesteld dat werkneemster nog niet werkt en conform het advies van de bedrijfsarts ook nog niet in staat is om te werken. Op 9 oktober 2014 heeft de bedrijfsarts werkneemster weer op een spreekuur gezien. Hij heeft geconstateerd dat de psychische belastbaarheid van werkneemster nog zeer beperkt was en hij heeft haar beperkingen vastgelegd in een belastbaarheidsprofiel zodat een arbeidskundig onderzoek kon worden ingesteld naar passende arbeidsmogelijkheden voor werkneemster. Op verzoek van betrokkene heeft een arbeidsdeskundige van de arbo-adviesorganisatie Advize in een rapport van 5 december 2014 advies uitgebracht over de re-integratiemogelijkheden van werkneemster. De arbeidsdeskundige was van mening dat er voor werkneemster op grond van haar beperkingen geen mogelijkheden waren, niet in haar eigen eventueel aan te passen functie, niet in een andere functie bij betrokkene en niet buiten de organisatie van betrokkene. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige blijkt dat bepalend voor deze conclusie is geweest dat de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts gezamenlijk hebben vastgesteld dat werkneemster, naast de forse beperkingen die de bedrijfsarts had geformuleerd, ook niet in staat was om zelfstandig functioneel te handelen in arbeidssituaties zonder begeleiding van haar echtgenoot.
1.3.
Werkneemster heeft op 25 maart 2015 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft het re-integratieverslag beoordeeld en onder meer uitgebreid telefonisch met de bedrijfsarts gesproken. De verzekeringsarts was blijkens een rapport van 24 april 2015 van mening dat de bedrijfsarts ten onrechte, na overleg met de arbeidsdeskundige, alsnog heeft geconcludeerd dat werkneemster niet beschikte over benutbare mogelijkheden. De inschatting door de verzekeringsarts van de arbeidsmogelijkheden van werkneemster in het belastbaarheidspatroon heeft de verzekeringsarts wel als adequaat aangeduid. De verzekeringsarts heeft de begeleiding door de bedrijfsarts niet adequaat geacht omdat de bedrijfsarts interventies achterwege heeft gelaten, gericht op medicatiegebruik en het laten verrichten van een expertise. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens de re-integratie-inspanningen van betrokkene als onvoldoende beoordeeld.
1.4.
Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het Uwv het tijdvak waarin betrokkene als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen, ook wel loonsanctie genoemd, met 52 weken verlengd tot 20 juni 2016.
1.5.
Bij besluit van 25 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van betrokkene tegen het besluit van 20 mei 2015 ongegrond verklaard, onder verwijzing naar rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 november 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 november 2015.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene tegen het besluit van 23 januari 2015 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 20 mei 2015 herroepen. De rechtbank was van mening dat de bedrijfsarts niet kan worden verweten dat hij niet heeft geïntervenieerd. De rechtbank vond het verklaarbaar dat de bedrijfsarts niet heeft aangestuurd op wijziging van de medicatie van werkneemster en vond ook dat er geen reden was voor de bedrijfsarts om een expertise aan te vragen. Volgens de rechtbank was daarom geen sprake van onvoldoende re-integratie-inspanningen van betrokkene en heeft het Uwv ten onrechte een loonsanctie opgelegd.

3.1.
Het Uwv heeft in hoger beroep aangevoerd dat het bestreden besluit was gebaseerd op twee aspecten en dat de rechtbank ten onrechte maar één daarvan heeft beoordeeld. Het eerste verwijt aan betrokkene was dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen voor de re-integratie van werkneemster omdat de bedrijfsarts noodzakelijke interventies achterwege heeft gelaten. Het tweede verwijt was dat werkneemster op basis van haar door de bedrijfsarts op 9 oktober 2014 ingeschatte beperkingen arbeidsmogelijkheden had die ten onrechte niet zijn benut. Het Uwv heeft aangevoerd dat dit tweede aspect ten onrechte niet door de rechtbank is beoordeeld. Volgens het Uwv had werkneemster ook volgens de bedrijfsarts arbeidsmogelijkheden en had betrokkene daarom adequate inspanningen gericht op re-integratie van werkneemster moeten verrichten. Het hoger beroep richt zich niet tegen het oordeel van de rechtbank over het achterwege laten van interventies. Ook zonder die interventies beschikte werkneemster volgens het Uwv over benutbare mogelijkheden. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren.
3.2.
Betrokkene is van mening dat de aangevallen uitspraak juist is en heeft gevraagd het hoger beroep te verwerpen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.
Op grond van artikel 65 van de Wet WIA beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.
4.1.2.
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van de Wet WIA blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedraagt ten hoogste 52 weken.
4.2.
Bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie aan betrokkene heeft het Uwv verwezen naar een rapport van zijn arbeidsdeskundige van 12 mei 2015. Uit dat rapport blijkt duidelijk dat betrokkene wordt verweten dat zij onvoldoende aan re-integratie heeft gedaan omdat ten onrechte is aangenomen dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had en omdat sprake was van inadequate begeleiding door de bedrijfsarts. Het Uwv heeft gelijk als hij vaststelt dat de rechtbank alleen het aspect van de gestelde inadequate begeleiding heeft beoordeeld en niet het andere verwijt. Het Uwv heeft terecht aangevoerd dat hij beide aspecten ook ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit en dat de rechtbank daarom beide aspecten had moeten beoordelen. Terecht heeft het Uwv aangevoerd dat ook als de bedrijfsarts, en daarmee betrokkene, niet kan worden verweten dat de begeleiding van werkneemster niet adequaat is geweest, daaruit niet zonder meer volgt dat de loonsanctie ten onrechte is opgelegd. Daarvoor moet ook worden beoordeeld of betrokkene kan worden verweten dat zij is uitgegaan van het ontbreken van benutbare mogelijkheden bij werkneemster.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak kan niet in stand blijven. Vervolgens moet worden beoordeeld of het Uwv terecht aan betrokkene een loonsanctie heeft opgelegd op de grond dat betrokkene er ten onrechte van is uitgegaan dat werkneemster niet beschikte over arbeidsmogelijkheden.
4.4.
Vast staat dat werkneemster ten tijde van de beoordeling van het re-integratieverslag niet werkzaam was. Het Uwv is er dus terecht van uitgegaan dat geen sprake was van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels). Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Niet in geschil is dat er geen daadwerkelijke re-integratie-activiteiten door betrokkene en werkneemster zijn ondernomen.
4.5.
Betrokkene heeft aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat geen re-integratieactiviteiten zijn ontplooid, omdat zij er op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige van Advize van 5 december 2014 en van de adviezen van haar bedrijfsarts steeds vanuit is gegaan en vanuit mocht gaan dat werkneemster niet beschikte over arbeidsmogelijkheden.
4.6.
Het Uwv heeft onderbouwd dat werkneemster op grond van het door de bedrijfsarts op 9 oktober 2014 opgestelde belastingpatroon beschikte over benutbare mogelijkheden. Volgens de verzekeringsarts van het Uwv heeft de bedrijfsarts de mogelijkheden van werkneemster adequaat ingeschat, maar heeft de bedrijfsarts ten onrechte na overleg met de arbeidsdeskundige van Advize zijn mening bijgesteld en ten onrechte daarna steeds vastgehouden aan het standpunt dat werkneemster niet beschikte over arbeidsmogelijkheden.
4.7.
Vastgesteld wordt dat de bedrijfsarts werkneemster op grond van haar psychische klachten lange tijd niet in staat heeft geacht om te werken. Op 9 oktober 2014 heeft de bedrijfsarts aan betrokkene gerapporteerd dat werkneemster nog altijd frequente therapie heeft, maar dat zij wat betreft haar algemene dagelijkse levensverrichtingen weer redelijk zelfstandig kan functioneren. De bedrijfsarts heeft werkneemster op dat moment nog niet in staat geacht eigen of aangepast werk te doen, maar heeft ook geen situatie meer aanwezig geacht van geen benutbare mogelijkheden. Hij heeft daarom een belastingprofiel opgesteld. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige van Advize blijkt dat de arbeidsdeskundige werkneemster op 12 november 2014 heeft gesproken, in aanwezigheid van haar echtgenoot, maar dat het niet mogelijk is gebleken een gewoon gesprek met werkneemster te voeren. De arbeidsdeskundige heeft uit het gesprek geconcludeerd dat werkneemster klachten heeft van angst voor werk, cliënten, collega’s, leidinggeven, het ontvangen van post en autorijden en dergelijke en dat ze langzaam vorderingen maakt. De arbeidsdeskundige is van mening dat werkneemster voor alle activiteiten buitenshuis ondersteuning en begeleiding nodig heeft van haar echtgenoot, niet zelfstandig buitenshuis kan functioneren en niet in staat is om enige vorm van werk te verrichten, wat volgens de arbeidsdeskundige ook bevestigd is door betrokkene. Uit het rapport blijkt voorts dat er een telefonisch onderhoud heeft plaatsgevonden met de bedrijfsarts en dat door de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts gezamenlijk is gesteld dat werkneemster niet in staat is om zonder begeleiding van haar echtgenoot in arbeidssituaties zelfstandig functioneel te handelen. Dit heeft de bedrijfsarts aan betrokkene meegedeeld in het verslag van het spreekuur met werkneemster van 4 december 2014. In het formulier Medische informatie WIA van 12 maart 2015, dat is gevoegd bij het re-integratieverslag, heeft de bedrijfsarts vermeld dat in de periode van januari tot maart 2015 sprake is van een langzame en geleidelijke verbetering bij werkneemster, die zich wel vertaalt naar een actiever dagverhaal maar niet naar arbeidsmogelijkheden.
4.8.
In het rapport van 24 april 2015 heeft de verzekeringsarts op basis van het gesprek met werkneemster genoteerd dat zij nog steeds zeer gespannen en angstig is, dat zij zich inmiddels in de thuissituatie redelijk kan redden en dat zij zaken met betrekking tot het werk nog steeds mijdt. Deze vaststelling en wat in het rapport wordt vermeld over de problemen van het met de auto samen met haar echtgenoot in de richting van haar werklocatie rijden, passen in het beeld dat naar voren komt uit de rapporten van de bedrijfsarts en van de arbeidsdeskundige van Advize. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt ook dat deze uitgebreid over de re-integratie met de bedrijfsarts heeft gesproken, maar dat dat vooral is gegaan over de vraag waarom de bedrijfsarts geen interventies heeft gedaan in de vorm van aansturen op andere medicatie of het inwinnen van onafhankelijk psychiatrisch advies. Inmiddels onderschrijft het Uwv dat de bedrijfsarts niet kan worden verweten die interventies niet te hebben gedaan. Dat de verzekeringsarts die interventies noodzakelijk achtte, hield verband met de constatering dat op het moment van de beoordeling van het re-integratieverslag niet duidelijk was wat de achterliggende oorzaken waren van de wijze waarop werkneemster zich steeds heeft opgesteld en steeds heeft gereageerd. Vanuit die bestaande situatie van werkneemster heeft de bedrijfsarts vanaf december 2014 steeds aan betrokkene gemeld dat werkneemster nog geen arbeidsmogelijkheden had en dat wel intensief therapie werd gevolgd.
4.9.
De vraag of betrokkene redelijkerwijze heeft kunnen afzien van het verrichten van re-integratieactiviteiten wordt bevestigend beantwoord. Vanaf het uitbrengen door de arbeidsdeskundige van Advize van zijn advies heeft de bedrijfsarts consistent bericht aan betrokkene dat werkneemster geen arbeidsmogelijkheden had. Deze berichtgeving was in lijn met het goed onderbouwde advies van de genoemde arbeidsdeskundige en was conform het beeld dat betrokkene ook zelf had van werkneemster. Het standpunt van de bedrijfsarts was ook niet in strijd met het beeld dat uit het rapport van de verzekeringsarts naar voren komt over werkneemster. Daarbij komt dat voor het standpunt van de verzekeringsarts dat werkneemster conform het belastbaarheidspatroon van de bedrijfsarts wel benutbare mogelijkheden had en wel zelfstandig zou kunnen functioneren, mogelijk mede van belang was dat de verzekeringsarts van mening was dat de bedrijfsarts had moeten interveniëren. Inmiddels zijn partijen het erover eens dat dat de bedrijfsarts niet kon worden verweten.
4.10.
Wat in 4.2 tot en met 4.9 is overwogen leidt tot de conclusie dat de opgelegde loonsanctie niet berust op een deugdelijke motivering. Zoals in 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep van het Uwv. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, behoudens de daarin gegeven bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Omdat het Uwv ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 20 mei 2015, waarmee de loonbetalingsverplichting van werkneemster is verlengd, te herroepen.
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- voor verleende rechtsbijstand.

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de daarin gegeven bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht;- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 november 2015;- herroept het besluit van 20 mei 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 november 2015;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.024,-.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en B.J. van de Griend en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019.
(getekend) M. Greebe

(getekend) P.B. van Onzenoort

md