Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:14

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:14, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/7458 Wajong


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:14:DOC
nl

16/7458 Wajong

Datum uitspraak: 3 januari 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 oktober 2016, 16/41 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. T. de Heer, advocaat, nadere gronden en stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Heer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. drs. F.A. Steeman.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontvangt sinds 19 januari 2011 arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Aan dit besluit ligt onder andere een rapport van 13 december 2010 van een verzekeringsarts en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum ten grondslag.
1.2.
Op 29 januari 2013 heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend om een starterskrediet van € 8.000,- voor zijn onderneming [naam onderneming]. Bij besluit van 15 april 2013 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat appellant niet over de persoonlijke vaardigheden beschikt die noodzakelijk zijn om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken in het door appellant gekozen beroep of bedrijf. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar dit bezwaar later ingetrokken.
1.3.
Op 28 april 2015 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om een starterskrediet voor zijn onderneming [naam onderneming]. Bij besluit van 23 juni 2015 heeft het Uwv ook deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet over de persoonlijke vaardigheden beschikt die noodzakelijk zijn om als zelfstandig ondernemer te kunnen werken in het door appellant gekozen beroep of bedrijf.
1.4.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juni 2015 is bij besluit van 30 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 november 2015 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het Uwv beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of het starten van een bedrijf voor appellant een reële optie is en dat zij de afwijzing van de aanvraag daarom slechts terughoudend kan toetsen. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv gegronde redenen heeft om te twijfelen aan de geschiktheid van appellant om een bedrijf te starten en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep daarbij mocht uitgaan van de medische beoordeling van 13 december 2010 en FML van diezelfde datum. Zij heeft overwogen dat appellant niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zijn medische situatie sindsdien wezenlijk is verbeterd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat in het re-integratietraject noch in de e-mails die in dat kader gestuurd zijn, het Uwv heeft toegezegd dat een starterskrediet verstrekt zou worden. In een overweging ten overvloede heeft de rechtbank erop gewezen dat de overgelegde e-mails gedateerd zijn voor de eerste, op 15 april 2013 afgewezen, aanvraag en dat het appellant bij de tweede aanvraag dus duidelijk had moeten zijn dat het Uwv het starterskrediet niet onvoorwaardelijk zou verstrekken. De rechtbank heeft tenslotte overwogen geen aanleiding te zien om tot vergoeding van schadevergoeding over te gaan.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij in aanmerking had moeten worden gebracht voor een starterskrediet. Daarbij heeft hij betoogd dat de arbeidsdeskundigen van het Uwv niet de juiste maatstaf hebben aangelegd, omdat zij zijn uitgegaan van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van werkzaamheden in loondienst in plaats van werkzaamheden als zelfstandige. Appellant is van mening dat zijn bedrijfsplan past bij zijn beperkingen. Appellant heeft verder zijn beroep op het vertrouwensbeginsel herhaald. Volgens appellant heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv hem toegezegd dat hij in aanmerking zou komen voor een starterskrediet. Appellant meent dat deze arbeidsdeskundige hem doelbewust heeft misleid bij zijn pogingen als zelfstandige te starten, waardoor hij schade heeft geleden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld op grond waarvan het Uwv op aanvraag van de jonggehandicapte, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, in het kader van de bevordering van de inschakeling in en ondersteuning bij de arbeid als zelfstandige, voorzieningen kan verstrekken.
4.2.
Deze algemene maatregel van bestuur is het Reïntegratiebesluit. Artikel 15, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit bepaalt dat het Uwv op aanvraag van een persoon als bedoeld in, onder meer, artikel 2:23, eerste lid, van de Wajong ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening of borgtocht kan verstrekken tot ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag indien:a. de arbeidsmarktpositie van die persoon daartoe aanleiding geeft; enb. het starten van het bedrijf naar het oordeel van het UWV voor betrokkene een reële optie is, gelet op diens beperking als gevolg van de handicap en het door hem opgestelde bedrijfsplan.
4.3.
Gelet op wat ter zitting is besproken is niet in geschil dat het Uwv bij zijn beoordeling van de aanvraag om een starterskrediet mocht uitgaan van de voor appellant geldende beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 13 december 2010.
4.4.
Anders dan appellant heeft aangevoerd, hebben de arbeidsdeskundigen bij hun beoordeling van de aanvraag van appellant de juiste maatstaf aangelegd. Nadrukkelijk is rekening gehouden met de beperkingen van appellant in relatie tot zijn plannen om als zelfstandige aan de slag te gaan. De arbeidsdeskundigen hebben daarbij onder meer van belang geacht dat appellant op grond van de voor hem vastgestelde beperkingen is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd, en dat een jobcoach niet kan worden ingezet wanneer niet in loondienst wordt gewerkt. Daarnaast hebben de arbeidsdeskundigen problemen benoemd die appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, als beginnend zelfstandige zou kunnen ondervinden in contacten met afnemers, rondom werktijden, productiepieken en deadlines en conflicthantering. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarnaast onderbouwd waarom hij niet overtuigd is van de haalbaarheid van het bedrijfsplan, omdat daarin – kort gezegd – op relevante punten sprake is van niet-onderbouwde aannames. Appellant heeft geen gegevens ingebracht voor zijn stelling dat wél sprake is van een levensvatbaar bedrijf. De eigen verwachtingen van appellant vormen hiervoor onvoldoende aanknopingspunten.
4.5.
Op grond van de in 4.4 genoemde omstandigheden heeft het Uwv in redelijkheid tot het standpunt kunnen komen dat het starten van een zelfstandig bedrijf, gelet op de aanwezige beperkingen en het opgestelde bedrijfsplan, voor appellant geen reële optie is.
4.6.
In de beschikbare gedingstukken is ten slotte geen schriftelijke toezegging te vinden waaruit blijkt dat aan appellant een starterskrediet zou worden verstrekt. Dat de arbeidsdeskundige tegenover appellant kennelijk niet meteen de gewenste duidelijkheid heeft verschaft over de haalbaarheid van diens plannen om als zelfstandige aan de slag te gaan, roept bij appellant begrijpelijkerwijs vragen op, maar maakt dit niet anders. Bovendien was het appellant na de afwijzing van zijn eerste aanvraag om een starterskrediet en dus vóór het indienen van zijn tweede aanvraag duidelijk dat het Uwv niet van plan was hem een starterslening te verstrekken. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
4.7.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toewijzing van het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.
(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H. Achtot LO
-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.