Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1308

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1308, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/6922 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1308:DOC
nl

16


Datum uitspraak: 11 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2016, 14/2696 ZW en 14/2697 ZW

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft gevraagd om herziening van de door de Raad op 17 augustus 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:3226) gegeven uitspraak. Verzoekster heeft daarbij stukken ingediend.

Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. R. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 1 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat verzoekster met ingang van 8 mei 2013 geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) omdat zij met ingang van die datum geschikt werd geacht tot het verrichten van de in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geselecteerde functie van productiemedewerkster. Bij besluit van 19 juli 2013 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 mei 2013 ongegrond verklaard. Na een nieuwe ziekmelding per 22 juli 2013, heeft het Uwv bij besluit van 14 augustus 2013 vastgesteld dat verzoekster per 15 augustus 2013 geen recht had op een ZW-uitkering. Het bezwaar van verzoekster tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 september 2013 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van 1 mei 2013 en 23 september 2013. Bij uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 31 maart 2014, 13/4001 en 13/5013, zijn deze beroepen ongegrond verklaard.
2. Bij zijn uitspraak van 17 augustus 2016 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 31 maart 2014 bevestigd. De Raad heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft bepaald dat verzoekster zowel per 8 mei 2013 als per 15 augustus 2013 geen recht meer had op ziekengeld.
3.1.
Verzoekster heeft aan haar herzieningsverzoek, zoals nader toegelicht ter zitting, – samengevat – ten grondslag gelegd dat het Uwv en de Raad volgens haar niet zijn uitgegaan van de juiste medische feiten. Zij is van mening dat uit medische stukken blijkt dat zij op de data in geding een nekhernia had. Verzoekster heeft haar standpunt met name gebaseerd op een brief van 4 oktober 2016 van de behandelend neuroloog.
3.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als voortvloeiend uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Verzoekster heeft na aanvang van de termijn van tien dagen als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb nadere medische stukken ingediend. Het Uwv heeft te kennen gegeven niet in de gelegenheid te zijn hierop inhoudelijk te reageren, omdat het niet mogelijk was om een verzekeringsarts bezwaar en beroep op zo een korte termijn voor de zitting nog op de stukken te laten reageren. Het Uwv heeft daarbij aangetekend dat de stukken niet waren voorzien van een toelichting waaruit zou kunnen blijken wat volgens verzoekster uit deze stukken zou kunnen worden afgeleid. Zoals ter zitting is besproken, volgt de Raad Uwv hierin en laat deze stukken daarom wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor buiten beschouwing.
4.2.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan een onherroepelijk geworden uitspraak op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, enc. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
4.3.
In wat verzoekster bij het verzoek om herziening heeft aangevoerd, zijn geen feiten of omstandigheden aangetroffen die voldoen aan de drie in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.
4.3.1.
De in reactie op vragen van verzoekster opgestelde brief van 4 oktober 2016 van de neuroloog is een stuk dat ten tijde van de uitspraak van 17 augustus 2016 niet bij de Raad bekend was. In deze brief heeft de neuroloog conclusies uit zijn eerdere brieven van 26 februari 2014 en 30 mei 2014, die de Raad ten tijde van de uitspraak van 17 augustus 2016 wel bekend waren, toegelicht. Verzoekster had de neuroloog gelet op de datering van deze brieven echter ook ruim voor de uitspraak van 17 augustus 2016 kunnen vragen om deze uitleg, zodat de in de brief van 4 oktober 2016 opgenomen informatie eerder had kunnen worden overgelegd. Hoe dan ook zou (de inhoud van) de brief van 4 oktober 2016 niet tot een ander oordeel hebben geleid als deze al hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank was overgelegd, omdat daarin geen aanwijzingen zijn te vinden dat de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt. In de uitspraak van 17 augustus 2016 is onder meer overwogen dat de neuroloog pas in zijn brief van 30 mei 2014 heeft vastgesteld dat de klachten van verzoekster wel verklaard kunnen worden door een nekhernia en dat hij dit bovendien niet nader heeft gemotiveerd. In de uitspraak van 17 augustus 2016 is verder in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de bevindingen van de medische behandelaars, waaronder van een neuroloog op 14 november 2013, rondom de data in geding niet wezen op het bestaan van een nekhernia, en dat de voor een nekhernia typische klachten toen niet aanwezig waren. Uit de brief van 4 oktober 2016 blijkt niet dat deze overwegingen berusten op onjuiste medische feiten. De brief van 4 oktober 2016 is dan ook geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid als onder 4.2 bedoeld.
4.3.2.
Voor zover verzoekster wat zij overigens bij haar verzoek om herziening heeft aangevoerd al niet naar voren heeft gebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is verzocht, geldt dat zij dit wel naar voren had kunnen brengen in die procedure. Dit geldt onder meer voor de klacht van verzoekster over de beoordeling door de verzekeringsarts, waarop zij ter zitting heeft gewezen. Op de klacht van verzoekster over de verzekeringsarts is op 29 mei 2013 door het Uwv beslist. Deze beslissing bevond zich al ten tijde van de behandeling van het beroep onder de gedingstukken en is zowel door de rechtbank als door de Raad in de beoordeling betrokken. De aangevoerde feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden voor de uitspraak waarvan herziening is verzocht en verzoekster was daarmee toentertijd bekend of had daarmee redelijkerwijs bekend kunnen zijn.
4.4.
Met haar verzoek beoogt verzoekster in feite de juistheid van het door de Raad in de uitspraak van 17 augustus 2016 gegeven oordeel ter discussie te stellen. Naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 5 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:319), is het bijzondere rechtsmiddel van herziening echter niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als onder 4.2 bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 17 augustus 2016 moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) M.A.A. Traousis

IvR