Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1301

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1301, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/7374 AOW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1301:DOC
nl

17

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2017, 17/3886 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], België (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.E. Temmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Temmen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij de uitspraak van 21 oktober 2016, 14/11 AOW, gepubliceerd op rechtspraak.nl met kenmerk ECLI:NL:CRVB:2016:4007, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2013 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2013 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de Svb een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant. Bij deze uitspraak van de Raad is de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant en is bepaald dat de Svb het door appellant betaalde griffierecht vergoedt.
1.2.
Voor een weergave van de inhoud van het besluit van 18 februari 2013, de rechtbankuitspraak van 18 december 2013 en de verdere omstandigheden van de zaak verwijst de Raad naar de overwegingen in zijn uitspraak van 21 oktober 2016.
1.3.
In de uitspraak van 21 oktober 2016 heeft de Raad geoordeeld dat appellant en zijn echtgenote in de periode van 13 oktober 2004 tot en met 14 augustus 2012 (periode in geding) niet op grond van ingezetenschap verzekerd zijn geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW). Voorts is geoordeeld dat de Svb in strijd met het Unierechtelijk zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door appellant tegen te werpen dat hij de vrijwillige verzekering niet (tijdig) heeft aangevraagd. De Raad heeft overwogen dat niet aannemelijk was dat appellant wist of kon weten dat hij in aanmerking kon komen voor een vrijwillige verzekering tegen de gunstigere voorwaarden die gelden voor degene die verplicht verzekerd is. Geconcludeerd is dat het tegenwerpen van de aanvraagtermijn niet verenigbaar is met het Unierecht en dat appellant alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om een vrijwillige verzekering aan te gaan over de periode van 13 oktober 2004 tot 1 januari 2006 tegen dezelfde voorwaarden als voor de verplichte verzekering golden, en over de periode van 1 januari 2006 tot en met 14 augustus 2012 zonder dat hem de vertraging bij de aanmelding wordt tegengeworpen. Ook is geoordeeld dat de Svb dient na te gaan of premie is afgedragen in verband met de WAO-uitkering van appellant en, zo ja, in hoeverre deze in mindering kan worden gebracht op de te betalen premie voor de vrijwillige verzekering.
2. Bij besluit van 20 juni 2017 heeft de Svb de korting van 52% op het pensioen ingevolge de AOW en 16% op de toeslag ingevolge deze wet ongewijzigd vastgesteld. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant gelegenheid is geboden tot toelating tot de vrijwillige verzekering over de periode in geding en hem is verzocht om inkomensbewijzen over te leggen en dat appellant vervolgens niet heeft aangegeven dat hij tot deze verzekering wil worden toegelaten en de gevraagde gegevens niet heeft overgelegd.
3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de uitspraak van 21 oktober 2016 van de Raad en dat appellant in de periode in geding niet vrijwillig verzekerd is geweest voor de AOW, omdat hij de daartoe geboden gelegenheid niet heeft benut.
4.1.
Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de premie voor de vrijwillige verzekering onaanvaardbaar hoog is. Gesteld is dat de Svb gehouden is hem een vrijwillige verzekering zonder premiebetaling aan te bieden, omdat hij recht heeft op compensatie voor het nadeel dat hij door toedoen van de Svb heeft geleden. Volgens appellant heeft hij door toedoen van de Svb de vrijwillige verzekering over de periode in geding niet eerder kunnen afsluiten. Was deze hem tijdig aangeboden, dan had hij de premie in de loop der jaren kunnen betalen.
4.2.
De Svb heeft het standpunt ingenomen dat op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de uitspraak van 21 oktober 2016 en dat er geen grond is om appellant een vrijwillige verzekering onder (nog) gunstigere voorwaarden aan te bieden.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.
De Svb heeft appellant bij brief van 15 december 2016 meegedeeld dat hij over de periode van 13 oktober 2004 tot 15 augustus 2012 kan deelnemen aan de vrijwillige verzekering. Voor deelname over de periode van 13 oktober 2004 tot 1 januari 2006 gelden dezelfde voorwaarden als voor de verplichte verzekering zouden hebben gegolden. Over de periode van 1 januari 2006 tot 15 augustus 2012 zijn de regels voor de gewone vrijwillige verzekering van toepassing. Als appellant voor deze periode wenst deel te nemen aan de vrijwillige verzekering, dient hij opgave te doen van zijn inkomsten en aftrekposten, waarbij onder aftrekposten mede zijn begrepen sociale verzekeringspremies die zijn ingehouden op loon of uitkering. Voorts is meegedeeld dat appellant de opgegeven inkomsten en aftrekposten dient aan te tonen met bewijsstukken. Aan de hand van de bij de Svb bekende inkomensgegevens van appellant over 2011 is een voorbeeldberekening van de premie gegeven.
5.2.
Na diverse mailwisselingen tussen partijen heeft appellant bij mailbericht van 4 mei 2017 aan de Svb meegedeeld dat het op dit moment niet haalbaar is om de premie voor de vrijwillige verzekering in één keer te betalen en het enige acceptabele voorstel is dat appellant over de periode in geding wordt toegelaten tot de vrijwillige verzekering zonder het betalen van de premie voor deze verzekering.
5.3.
In reactie daarop heeft de Svb bij brief van 26 mei 2017 meegedeeld dat er geen aanleiding is om af te zien van het heffen van (een deel van) de premie voor de vrijwillige verzekering. Appellant is daarbij verzocht om binnen drie weken mee te delen of hij in aanmerking wenst te komen voor de vrijwillige verzekering en de genoemde bewijsstukken over te leggen. Aan de hand van deze bewijsstukken kan de definitieve premie worden vastgesteld, waarna appellant alsnog kan afzien van deelname aan de vrijwillige verzekering. Daarbij is aangegeven dat wordt aangenomen dat appellant geen prijs stelt op de vrijwillige verzekering indien geen reactie wordt ontvangen.
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet heeft gereageerd op de brief van 26 mei 2017 van de Svb.

5.5.
Met de brieven van 15 december 2016 en 26 mei 2017 heeft de Svb een vrijwillige verzekering aangeboden die in overeenstemming is met de opdracht van de Raad in zijn uitspraak van 21 oktober 2016.
5.6.
Er is geen grond om de Svb gehouden te achten om appellant een vrijwillige verzekering aan te bieden zonder premiebetaling of onder gunstiger voorwaarden dan vermeld is in de genoemde brieven van de Svb. De vaststelling van (de hoogte van) de premie voor de vrijwillige verzekering is dwingendrechtelijk voorgeschreven. De bepalingen bieden de Svb geen ruimte om appellant toe te laten tot de vrijwillige verzekering zonder betaling van (een deel van) de premie. Een gehoudenheid daartoe volgt niet uit de uitspraak van de Raad van 21 oktober 2016.
5.7.
Verworpen wordt de stelling van appellant dat hij door toedoen van de Svb de vrijwillige verzekering over de periode in geding niet direct na afloop van zijn verplichte verzekering heeft kunnen aangaan, in welk geval de premiebetaling in de loop der jaren had kunnen plaatsvinden. De Svb was niet eerder dan bij de aanvraag van het AOW-pensioen in 2012 ervan op de hoogte dat appellant vanaf 13 oktober 2004 geen ingezetene meer was van Nederland. De Svb heeft daarvan ook niet eerder op de hoogte hoeven te zijn. Daaraan doet niet af dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (dat de WAO-uitkering betaalde) daarvan wel op de hoogte zou zijn geweest. Er is geen grond om aan te nemen dat de Svb in dit geval gehouden was om – onafhankelijk van enige aanvraag of verzoek om informatie van de zijde van appellant – zich op de hoogte te stellen van de woonplaats van appellant en de verdere omstandigheden die van invloed (kunnen) zijn op het ingezetenschap, nog daargelaten de vraag of de Svb daartoe ingevolge enig wettelijk voorschrift – zonder voorafgaande toestemming van appellant – bevoegd zou zijn. De Svb kon dus niet eerder dan in 2012 – en dus alleen voor het verleden – een vrijwillige verzekering aanbieden.
5.8.
Ook wordt verworpen de stelling van appellant dat hij nadeel heeft geleden doordat hij de vrijwillige verzekering over de periode in geding niet eerder heeft kunnen aangaan. Niet aannemelijk is dat appellant in verband hiermee nadeel heeft geleden. In vergelijking met de situatie waarin appellant in aansluiting op het eindigen van de verplichte verzekering tot de vrijwillige verzekering zou zijn toegelaten, heeft appellant immers feitelijk langer de beschikking gehad over de bedragen aan premie die verschuldigd zijn voor de vrijwillige verzekering. Gesteld noch gebleken is dat de Svb voornemens was wettelijke rente in rekening te brengen indien appellant alsnog aan de vrijwillige verzekering over de periode in geding zou hebben deelgenomen. Ook kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij is benadeeld doordat hij eerst achteraf een afweging heeft kunnen maken tussen de kosten en de baten van de vrijwillige verzekering. Niet kan immers worden gezegd dat ten tijde van het bestreden besluit, meer dan voordien, onzekerheid bestond over de hoogte van zijn inkomsten en aftrekposten over de periode in geding.
5.9.
Uit overweging 5.1 tot en met 5.8 volgt dat in de aangevallen uitspraak terecht is geoordeeld dat de Svb (op juiste wijze) uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de uitspraak van 21 oktober 2016 van de Raad en er geen grond is om het bestreden besluit voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) R.P.W. Jongbloed

lh