Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1286

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1286, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4191 WAO


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1286:DOC
nl

17



Datum uitspraak: 12 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 april 2017, 17/525 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is met ingang van 23 maart 1983 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 6 maart 1990 heeft het Uwv per 1 december 1989 zijn eventueel bestaande arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking gelaten, omdat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om zich aan een medisch onderzoek te onderwerpen.
1.2.
Het Uwv heeft in 2003 onderzoek gedaan naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 december 1989 en per 27 maart 2003. Bij besluit van 11 september 2003 heeft het Uwv besloten dat appellant met ingang van 1 december 1989 minder dan 15% arbeidsongeschikt is en daardoor geen recht heeft op een WAO-uitkering.
1.3.
Sindsdien heeft appellant meerdere verzoeken gedaan om terug te komen van de besluiten van 6 maart 1990 en 11 september 2003. Tevens heeft hij verzocht om zijn medische situatie opnieuw te beoordelen. Het Uwv heeft deze besluiten gehandhaafd en heeft geen reden gezien om appellant in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.
1.4.
Op 5 april 2016 heeft appellant het Uwv opnieuw verzocht om terug te komen van de beslissing van 6 maart 1990 en gesteld dat hij kan aantonen dat hij in de periode vanaf 1983 tot 6 maart 1990 volledig arbeidsongeschikt was. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant medische documenten met betrekking tot zijn medische situatie ingediend.
1.5.
Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van de beslissing van 6 maart 1990 omdat de ingediende medische informatie bekend was. Appellant is tegen dit besluit in bezwaar gegaan.
1.6.
Op 11 augustus 2016 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat de door appellant overgelegde medische informatie reeds bekend was of in het dossier aanwezig was. Er is daarom geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden en het Uwv komt daarom niet terug op het besluit van 6 maart 1990 dan wel het besluit van 11 september 2003. Bij beslissing op bezwaar van 20 december 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat er uit de stukken die appellant heeft ingediend geen ander beeld naar voren komt dan al bij het Uwv bekend was. Het Uwv was daarom bevoegd om toepassing te geven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn gezondheidstoestand sinds 1983 niet verbeterd is. Voor hem is het onduidelijk waarom zijn uitkering is stopgezet ondanks dat er geen verbetering is opgetreden in zijn medische toestand.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Het verzoek van appellant van 5 april 2016 strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van zijn besluit van 6 maart 1990. Het Uwv heeft hierop beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.2.
Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
4.3.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, omdat uit de door appellant bij zijn aanvraag gevoegde medische informatie geen ander beeld naar voren komt dan al bij het Uwv bekend was.
4.5.
Het Uwv mocht het verzoek van appellant van 5 april 2016 dan ook afwijzen met verwijzing naar zijn besluiten van 6 maart 1990 en 11 september 2003. In de zeer summiere gronden die appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard.
4.6.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L. Boersma

VC