Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1283

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 12-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1283, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1101 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1283:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 12 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2017, 16/3156 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft tevens een nader stuk in geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest als kassamedewerkster voor 37 uur per week. Op 18 augustus 2005 heeft zij zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Met ingang van 6 december 2007 is appellante een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Met ingang van 6 september 2008 is deze uitkering omgezet naar een loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
Op 5 juni 2015 heeft de (ex-)werkgever van appellante een aanvraag om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingediend. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Uwv aan de hand van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw beoordeeld.
1.3.
Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 0,00% en haar WGA-loonaanvullingsuitkering beëindigd met ingang van 14 december 2015. Appellante is tegen dit besluit in bezwaar gegaan.
1.4.
Op 24 maart 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een rapport uitgebracht. Op 2 mei 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een rapport uitgebracht, waarin de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is bepaald op 0,26%. Bij beslissing op bezwaar van 4 mei 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 oktober 2015 ongegrond verklaard omdat appellante meer dan 65% kan verdienen dan het voor haar geldende maatmanloon.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van de (ex-)werkgever om een herbeoordeling uit te voeren voldoende gemotiveerd is. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd geen reden geeft om het medische oordeel dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit voor onzorgvuldig of onjuist te houden. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zodat deze functies terecht geschikt zijn geacht.

3.1.
Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt, dat het verzoek van de (ex-)werkgever om haar opnieuw te beoordelen onvoldoende is gemotiveerd, gehandhaafd. Daarnaast is zij van mening dat de rechtbank te veel uit is gegaan van de beoordelingen van het Uwv, terwijl er niet inhoudelijk is gereageerd op de informatie van het Instituut Psychosofia (IP). Volgens appellante is geen sprake van gelijke partijen en zij verzoekt om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Appellante heeft hierbij naar het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, Korošec) verwezen. Tot slot verzoekt appellante om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de schade die zij heeft geleden in verband met het onrechtmatige besluit.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Het Uwv is te allen tijde bevoegd de mate van arbeidsongeschiktheid van een uitkeringsgerechtigde te herbeoordelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2445). In het geval van appellante is de aanleiding voor de herbeoordeling gelegen in een ingevulde vragenlijst van bedrijfsarts O. Kaya van 26 mei 2015 waarin de bedrijfsarts opmerkt dat gezien de aard en de ernst van de klachten van appellante die in de loop van de tijd afnemen er reden is voor een herbeoordeling. Gelet op dit gemotiveerde verzoek tot herbeoordeling door de (ex-)werkgever is er geen reden om aan te nemen dat het aan het Uwv niet vrij stond de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante opnieuw te beoordelen.
4.2.
In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellante op het arrest Korošec is aanleiding om aan de hand van de in de uitspraak van 30 juni 2017 onderscheiden stappen te beoordelen of sprake is geweest van zorgvuldige besluitvorming, vervolgens of sprake is van equality of arms tussen partijen, waarna als derde stap een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit volgt. Anders dan appellante veronderstelt, houdt het arrest Korošec niet in dat de bestuursrechter zondermeer gehouden is om in elke medische zaak een onpartijdige deskundige in te schakelen.
Stap 1: zorgvuldigheid van de besluitvorming

4.3.
Het oordeel van de rechtbank dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest wordt onderschreven. De primaire arts heeft het dossier onderzocht, informatie bij de behandeld sector opgevraagd en heeft appellante gezien op het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft aanvullende recente informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De ingebrachte rapporten van het IP zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld in zijn rapporten van 24 maart 2016, 25 oktober 2016 en 29 november 2016, waarbij is geconcludeerd dat de rapporten van het IP geen reden vormen tot het aanpassen van de aangenomen beperkingen.
Stap 2: equality of arms

4.4.
Appellante heeft in beroep gebruik gemaakt van de mogelijkheid om haar standpunt te onderbouwen door het overleggen van medische informatie van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige van het EMC van 19 juli 2016 en heeft in beroep en hoger beroep tevens rapporten van het IP van 12 september 2016, 23 november 2016 en 13 maart 2017 ingediend. Deze laatstgenoemde rapporten zijn niet van medische aard maar zouden relevante argumenten kunnen bevatten ter onderbouwing van het standpunt van appellante. Voorgenoemde informatie is naar haar aard geschikt en vormt een redelijke mogelijkheid voor appellante om de bestuursrechter van haar standpunt te overtuigen. Afgezien van een onjuiste interpretatie van het arrest Korošec en de rechtspraak van de Raad ten aanzien van dat arrest heeft appellante geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat zij belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van haar standpunt. Van een ongelijkheid in procespositie zoals in het arrest Korošec bedoeld, is daarom geen sprake. Er is daarom geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
Stap 3: inhoudelijke beoordeling

4.5.
Met betrekking tot de inhoudelijke medische beoordeling wordt het oordeel van de rechtbank, dat zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden voor het oordeel dat sprake is van verdergaande beperkingen, geheel onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 24 maart 2016, 25 oktober 2016 en 29 november 2016 overtuigend gemotiveerd dat er geen reden is voor verdergaande beperkingen. Met betrekking tot de fysieke klachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd dat appellante bij de primaire arts geen melding heeft gedaan van deze klachten, en dat uit de medische informatie ook geen medische aandoening blijkt die het aannemen van fysieke beperkingen op de datum in geding rechtvaardigen. Uit de stukken van het EMC komt naar voren dat appellante na de datum in geding, 14 december 2015, sinds 1 februari 2016 in behandeling is voor haar psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat uit de informatie niet naar voren komt dat appellante op de datum in geding verdergaand beperkt is. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2015 zijn reeds veertien beperkingen aangenomen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante vanwege haar psychische beperkingen. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat met inachtneming van de aangenomen medische beperkingen niet noodzakelijk is om nog een verdergaande urenbeperking te stellen, wordt onderschreven. Nu er geen twijfel is aan de inhoudelijke beoordeling van het Uwv wordt er geen reden gezien om op deze grond een onafhankelijke deskundige te benoemen.
4.6.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
4.7.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is een schadevergoeding niet aan de orde. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de schade wordt dan ook afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2019.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L. Boersma

VC