Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1281

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1281, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 15/5825 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1281:DOC
nl

15

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Gelderland van 18 november 2014, 14/683 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juli 2015, 14/683 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

Datum uitspraak: 10 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

Het onderzoek is heropend. De Raad heeft prof. dr. G. Glas, psychiater, als deskundige benoemd.

De deskundige heeft op 3 april 2018, in samenwerking met M.H. Ozgen-Chidley, arts in opleiding tot psychiater, een rapport uitgebracht. Hierop hebben partijen zienswijzen ingediend.

Desgevraagd heeft de deskundige een reactie gegeven op de zienswijzen van partijen. Deze reactie is op 18 januari 2019 ontvangen.

Hierop heeft het Uwv gereageerd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) als partij aangemerkt.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 13 maart 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ingen. Het Uwv is niet verschenen.



overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was laatstelijk werkzaam als leerkracht voor 36 uur per week. Op 1 maart 2004 heeft appellante zich ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante met ingang van 27 februari 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Deze uitkering is per 27 augustus 2008 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.
1.2.
In het kader van een herbeoordeling heeft psychiater J.H.M. van Laarhoven op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv een expertise verricht en hiervan op 28 november 2012 rapport uitgebracht. Bij besluit van 24 april 2013 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 10 april 2013 vastgesteld op 46%. Vermeld is dat de hoogte van de WGA-loonaanvullingsuitkering, die tot 1 mei 2015 loopt, niet wijzigt. Aan dit besluit ligt een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek ten grondslag.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 april 2013 is bij beslissing op bezwaar van 23 december 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
2.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft in de aangevallen tussenuitspraak geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd voor zover het ziet op de beperkingen als gevolg van de fissura ani. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het Uwv met de nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het geconstateerde gebrek in de motivering van het bestreden besluit heeft hersteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante wordt vastgelegd op 51,9%, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd. Tevens zijn beslissingen gegeven over proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht.
3.1.
Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank dat de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 51,9%, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit voor het overige in stand blijven en dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd. Volgens appellante heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met fysieke en psychische klachten. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante onder meer verwezen naar een brief van haar behandelend psychiater P.B. Boswinkel van 24 juli 2014. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen deskundige heeft ingeschakeld. Appellante heeft de Raad verzocht dit alsnog te doen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.
In geschil is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 10 april 2013.
4.2.
De deskundige heeft appellante onderzocht. Hij heeft het dossier en de relevante medische informatie bestudeerd. Op basis daarvan heeft hij de volgende bevindingen gedaan. Op de datum in geding, 10 april 2013, leed appellante aan een depressieve stoornis, matig tot ernstig, recidiverend, met angstige spanning, met paniekaanvallen, een gegeneraliseerde angststoornis, een specifieke fobie (situationeel) en een niet-gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende trekken, naast krenkbaarheid, rigiditeit en koppigheid. Daarnaast bestond er een scala aan lichamelijke klachten. De deskundige heeft in het uitgebrachte rapport geconcludeerd dat er bij appellante meer beperkingen gelden voor het persoonlijk en sociaal functioneren dan door de verzekeringsartsen zijn vastgesteld. De deskundige acht appellante niet in staat tot zelfstandig functioneren en daarom niet in staat wat voor werk dan ook te verrichten.
4.3.
In reactie op het deskundigenrapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in rapporten van 29 mei 2018 en 30 januari 2019 gesteld dat de door de deskundige aangenomen zeer vergaande beperkingen op de datum in geding niet aansluiten bij de bevindingen zoals vastgelegd in het rapport van de deskundige. Voorts volgen de beperkingen naar de mening van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet uit de informatie van de behandelaars van appellante en zijn de beperkingen niet in overeenstemming met de definities zoals vastgelegd in de Basisinformatie Claimbeoordelings- en Borgingssysteem. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meegedeeld dat het rapport aanleiding geeft om de door de deskundige vastgestelde beperkingen gedeeltelijk in de Functionele MogelijkhedenLijst (FML) over te nemen.
4.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft na kennisname van de kritiek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn rapport, zijn conclusies stellig en gemotiveerd gehandhaafd. De deskundige heeft in een op 18 januari 2019 ontvangen aanvullend rapport, in reactie op de standpunten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nader uiteengezet dat uit de medische informatie vooral blijkt hoezeer de professionals het niet eens waren over wat er – en in welke mate – met appellante aan de hand was. De deskundige heeft vermeld dat zijn conclusies zijn gebaseerd op een reconstructie die berust op het zorgvuldig met elkaar in verband brengen van de beschikbare informatie over het beloop, de eigen waarneming en zijn beredeneerde interpretatie van wat er in 2013 aan de hand was. Geoordeeld wordt dat de deskundige op inzichtelijke wijze heeft uiteengezet welke beperkingen appellante ondervindt op persoonlijk en sociaal gebied. Ook overigens geeft de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in het licht van het eerder vermelde uitgangspunt, een onvoldoende grondslag om voorbij te gaan aan de gerapporteerde bevindingen en de daaruit getrokken conclusies van de deskundige.
4.5.1.
Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft geconcludeerd dat het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit was hersteld en er geen reden was te twijfelen aan de belastbaarheid van appellante zoals verwoord in de FML van 22 februari 2015. Het hoger beroep slaagt. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ten onrechte bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 51,9%, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. De vermelding in het bestreden besluit dat vanaf 1 mei 2015 voor appellante een inkomenseis geldt is immers niet op een deugdelijke grondslag gebaseerd. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd evenals de tussenuitspraak.
4.5.2.
Appellante heeft ter zitting van de Raad verzocht, gelet op het rapport van de deskundige, zelf in de zaak te voorzien omdat appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Daarbij heeft zij haar standpunt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op 10 april 2013 niet gehandhaafd. Gelet op dit verzoek en het deskundigenrapport is er aanleiding zelf in de zaak te voorzien door met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 24 april 2013 te herroepen, zodat bij de uitkering van appellante per 10 april 2013 onverminderd wordt uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
4.6.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.7.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.8.
Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 24 mei 2013 van het eerste bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn bijna zes jaar verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna twee jaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.
4.9.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv tot het bestreden besluit van 23 december 2013 zeven maanden geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn met een maand is overschreden. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 27 januari 2014 tot de uitspraak van de rechtbank van 21 juli 2015 heeft de behandeling door de rechtbank van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 12 mei 2014 afgerond één jaar en zes maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 25 augustus 2015 tot de datum van deze uitspraak afgerond drie jaar en acht maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met 1 jaar en 9 maanden is overschreden. De redelijke termijn is dus zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 83,- (1/24 deel van € 2.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1917,- (23/24 deel van € 2000,-).
5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.536,- wegens verleende rechtsbijstand (3 punten).

beslissing

BESLISSING

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, voor zover- herroept het besluit van 24 april 2013;- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1917,-;- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 83,-;- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.536,-;- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.
De Centrale Raad van Beroep

daarbij is bepaald dat de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 51,9%, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor het overige in stand blijven en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) S.L. Alves

VC