Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1279

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1279, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4498 ANW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1279:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 11 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 mei 2017, 16/5822 (aangevallen uitspraak)
Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.C. Rooijers.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot is [in] 2015 in Marokko overleden. De echtgenoot van appellante heeft in Nederland gewoond. Op enig moment is hij teruggekeerd naar Marokko. Vanaf 1 juli 1993 tot zijn overlijden ontving de echtgenoot van appellante een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2.
Nadat haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) was afgewezen, heeft appellante de Svb op 17 juni 2015 verzocht om haar echtgenoot postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de ANW. Bij besluit van 22 december 2015 heeft de Svb dit verzoek afgewezen.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 10 augustus 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2015 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de artikelen 63a en 63b van de ANW wordt geconcludeerd dat de echtgenoot van appellante niet postuum kan deelnemen aan de vrijwillige verzekering, omdat niet binnen één jaar na de beëindiging van de verplichte verzekering van de echtgenoot op 1 januari 2000 is verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering. Volgens de Svb zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van de aanvraag moet worden verontschuldigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is geoordeeld dat de aanvraag tot deelname aan de vrijwillige verzekering niet binnen de wettelijke aanmeldingstermijn is ingediend.

4.1.
De Raad kan zich vinden in wat de rechtbank heeft overwogen. Op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2000, is, kort samengevat, verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een Nederlandse uitkering, zoals bijvoorbeeld een pensioen krachtens de AOW ontving ter hoogte van ten minste een nader omschreven bedrag per maand. Deze bepaling is met ingang van1 januari 2000 vervallen. Dat betekent dat per die datum geen verzekering meer kan worden ontleend aan het ontvangen van een Nederlandse uitkering.
4.2.
Op grond van artikel 63a van de ANW is deelname aan de vrijwillige verzekering uitsluitend mogelijk in aansluiting aan de periode van verplichte verzekering. De aanvraag voor de vrijwillig verzekering moet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering zijn ingediend. De echtgenoot van appellante heeft zich niet binnen een jaar na het einde van de verplichte verzekering aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Het verzoek van appellante in juni 2015 om postume toelating van haar echtgenoot tot de vrijwillige verzekering is ruim buiten de aanmeldingstermijn gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het verzoek niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering.
4.3.
Uit overweging 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

beslissing

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.A.E. Lageweg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.A.E. Lageweg

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

lh

DÉCISION


La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale) confirme la décision attaquée.

Par conséquent, décidée par M.M. van der Kade en présence de M.A.E. Lageweg en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 11 avril 2019.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.A.E. Lageweg

Les intéressés et les organes d'administration auront le droit à présenter une opposition écrite contre la présente décision, dans les six semaines suivantes à la notification de la copie, à la Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.

lh