Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1276

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1276, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4347 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1276:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 11 april 2019

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 mei 2017, 16/7564 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.G. van Leeuwen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.
overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is werkzaam geweest in een verpleeghuis als [naam functie] in de zorg voor 27 uur per week. Na beëindiging van het dienstverband heeft appellante zich op 14 mei 2014 ziek gemeld met psychische klachten. Zij ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Zij is in aanmerking gebracht voor ziekengeld en heeft in februari 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Naar aanleiding daarvan is zij door een verzekeringsarts onderzocht. Deze heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 maart 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen arbeid te verrichten en de functies medewerker intern transport, productiemedewerker hout, wikkelaar, productiemedewerker textiel en archiefmedewerker geselecteerd als voor appellante geschikte functies. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat appellante met ingang van 10 mei 2016 nog 81% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op 19%. Het Uwv heeft bij besluit van 30 maart 2016 geweigerd appellante met ingang van 11 mei 2016 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat appellante per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 maart 2016 bij beslissing op bezwaar van 23 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag gelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functie van productiemedewerker textiel laten vervallen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is daarmee niet gewijzigd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank berust het bestreden besluit op zorgvuldig medisch onderzoek van het Uwv. De verzekeringsartsen hebben aandacht besteed aan alle klachten van appellante en de hiermee samenhangende beperkingen in voldoende mate in kaart gebracht. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar betoog dat zij gelet op een haar door het Uwv verstrekte indicatie in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) op intensieve en indringende begeleiding is aangewezen. De rechtbank heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6889, waaruit blijkt dat een beoordeling in het kader van de Wsw een ander doel en een ander wettelijk kader heeft dan een WIA-beoordeling. Verder is het Uwv naar het oordeel van de rechtbank bij zijn beoordeling terecht uitgegaan van de medische situatie van appellante op 11 mei 2016 en was het Uwv niet gehouden om de verschillen met de medische situatie van appellante op 16 maart 2015, toen de zogeheten Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) plaatsvond, te bespreken. Tot slot heeft appellante in beroep geen medische informatie ingebracht die de rechtbank reden heeft gegeven voor twijfel aan het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies, ondanks de daarin voorkomende signaleringen, de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ook voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies passen bij de volgens de FML benodigde mate van begeleiding. De voor appellante geselecteerde functies betreffen eenvoudige werkzaamheden met goed gestructureerde en grotendeels routinematige taken, zodat appellante nauwelijks een beroep op derden hoeft te doen. Bij (incidentele) problemen of veranderingen kan een beroep op een collega of leidinggevende worden gedaan. Daarmee is volgens de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en dat zij bij de uitvoering daarvan niet op een jobcoach is aangewezen. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:913.

3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bij de EZWb uitsluitend ging om de vraag of appellante geschikt was voor haar eigen werk. De rechtbank heeft niet onderkend dat de voor appellante in het kader van de EZWb in een FML van 16 maart 2015 neergelegde psychische beperkingen tot gevolg hadden dat het ziekengeld van appellante werd doorbetaald, waarbij geen noodzaak werd gezien een arbeidsdeskundige in te schakelen, anders dan voor het onderzoeken van re-integratie- en begeleidingsmogelijkheden. Bij zijn standpunt dat appellante op de in geding zijnde datum, 11 mei 2016, wel in staat moet worden geacht de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten, heeft het Uwv te veel belang gehecht aan een evaluatieverslag van 21 december 2015 van de Groene Cirkel, waaruit het Uwv heeft afgeleid dat de assertiviteit van appellante sinds de EZWb is toegenomen. Deze observatie van de activiteitenbegeleider van de Groene Cirkel staat haaks op de bevindingen in het rapport psychologisch onderzoek van 30 oktober 2014 van de GZ-psychologen M. de Ree en D. de Boer, waarin onder meer een ontwijkende en depressieve persoonlijkheidsstoornis in beeld is gebracht. Verder heeft de rechtbank onvoldoende gewicht toegekend aan de door appellante in beroep overgelegde Wsw-indicatie, waaruit volgt dat appellante is aangewezen op een mate van begeleiding bij het werk die meer dan gebruikelijk is en ook van belang is voor de WIA-beoordeling. In dit verband heeft appellante gewezen op het rapport van de verzekeringsarts van 22 maart 2016, waarin is vermeld dat begeleiding in verband met terugkeer naar en behoud van werk wenselijk is. Daarnaast heeft appellante opgemerkt dat de arbeidsdeskundige in het Resultaat functiebeoordeling in het kader van aspect 1.9.3 van de FML heeft vermeld dat voor een jobcoach gezorgd kan worden. Ten slotte heeft appellante gemotiveerd betoogd dat de belasting van de functies medewerker uitgaande intern transport en productiemedewerker hout en bouw haar belastbaarheid overschrijdt.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak gevraagd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Voorop moet worden gesteld dat het in deze zaak gaat om de medische situatie van appellante op 11 mei 2016 en niet om de datum waarop de EZWb betrekking had. In het kader van de EZWb is appellante niet geschikt bevonden voor haar eigen werk en is het Uwv in verband met de toenmalig ingeschatte omvang van de beperkingen niet overgegaan tot het selecteren van functies. De nu in geding zijnde beoordeling dateert van geruime tijd later en betreft de vraag of het Uwv appellante terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor een WIA-uitkering. Appellante had inmiddels een traject bij De Groene Cirkel doorlopen, waarmee een andere situatie was ontstaan. In zijn verweerschrift heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellante dit traject door bemoeienis van het Uwv heeft gevolgd. Het betrof een vrijwilligersproject dat was gericht op gewenning, structuur en sociale vaardigheden. In het evaluatieverslag van 21 december 2015 is beschreven dat appellante op dat moment leek te functioneren op haar maximale niveau van twintig uur per week (waar tien uur reistijd per week bij komt). Haar energiebalans was beter geworden en haar bestendigheid tegen prikkels, stress en werkdruk was toegenomen. Wel is in dat verslag nog opgemerkt dat appellante “beter [overkomt] dan een werkgever zou doen vermoeden aangaande haar algehele belasting en ze is erg kwetsbaar”. De medische beoordeling door het Uwv in verband met de WIA-aanvraag heeft drie maanden na dit evaluatieverslag plaatsgevonden op 22 maart 2016.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij aan alle klachten van appellante en de hieruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen aandacht hebben besteed en deze voldoende in kaart hebben gebracht, wordt gevolgd. Alle beschikbare medische informatie is bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat de beperkingen die worden aangenomen al vanaf de leeftijd van zeventien jaar bestaan. Ondanks deze beperkingen is appellante in staat geweest een opleiding te volgen en af te ronden en gedurende tien jaar vaste banen uit te oefenen. Uit het dagverhaal heeft de verzekeringsarts opgemaakt dat appellante in staat moet zijn een werkdag vol te maken. Als appellante in mentaal en fysiek niet belastend werk wordt ingezet, is er geen indicatie voor een urenbeperking aanwezig. Gelet op deze bevindingen zijn in de voor het bestreden besluit relevante FML van 11 maart 2016 in vergelijking met de aan de EZWb ten grondslag gelegde FML van 19 april 2015 vooral in de rubriek persoonlijk functioneren minder beperkingen opgenomen, met dien verstande dat de beperking in verband met de noodzaak van begeleiding bij het werk is gehandhaafd. Aan de rubriek sociaal functioneren zijn daarentegen beperkingen toegevoegd voor het omgaan met emotionele problemen van anderen en het uiten van eigen gevoelens. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de voor appellante op de datum in geding in aanmerking te nemen beperkingen niet heeft onderschat, wordt gevolgd. Voor onderschatting van de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid op 11 mei 2016 zijn in de gedingstukken geen aanwijzingen te vinden.
4.3.
Dat het Uwv appellante in juli 2014 in aanmerking heeft gebracht voor een Wsw‑indicatie leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad, onder meer kenbaar uit de door de rechtbank genoemde uitspraak van 10 april 2013, waaruit in algemene zin valt op te maken dat aan een Wsw-indicatie geen doorslaggevende betekenis toekomt in het kader van een WIA-beoordeling, maar dat daaraan ook niet elke betekenis kan worden ontzegd. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML van 11 maart 2016 is vermeld dat appellante is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldig feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. In het Resultaat functiebeoordeling heeft de arbeidsdeskundige in het kader van de beoordeling van de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies vermeld dat “voor jobcoach kan worden gezorgd”. In de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten is de eventuele inzet van een jobcoach uitsluitend in verband gebracht met de wenselijkheid van begeleiding naar en het behoud van werk. Uit de enkele vermelding door de arbeidsdeskundige van de mogelijke inzet van een jobcoach kan in dit geval dus niet worden afgeleid dat appellante is aangewezen op werk in een beschutte omgeving. De rechtbank heeft in dit kader terecht verwezen naar de onder 2 vermelde uitspraak van de Raad van 19 februari 2016.
4.4.
Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de belasting van de functie medewerker intern transport haar belastbaarheid overschrijdt. In deze functie is sprake van een minimale persoonlijke invulling, terwijl eventuele problemen via de werkroutine worden opgelost. Anders dan appellante heeft aangevoerd worden in deze functie geen eisen gesteld in verband met deadlines en productiepieken, is van persoonlijk risico door autorijden geen sprake en evenmin van beroepsmatig vervoer. Ook is werken na middernacht niet aan de orde in de geselecteerde functie. Voor zover appellante heeft betoogd dat de functie productiemedewerker hout niet geschikt is voor haar, wordt het standpunt van het Uwv gevolgd dat deze functie een minimale persoonlijke invulling kent, waarbij het overgrote deel van de taken bestaat uit het bewaken en volgen van het productieproces. Het betoog van appellante dat deze functie niet geschikt is voor haar, omdat driemaal per week met een heftruck moet worden gereden, slaagt niet, omdat het standpunt van het Uwv wordt onderschreven dat dit een incidentele belasting betreft die niet vergelijkbaar is met deelname aan het verkeer. Voor het oordeel dat appellante het benodigde heftruckdiploma niet zou kunnen halen, bieden de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten.
4.5.
Wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en R.E. Bakker en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) M. Greebe

(getekend) D.S. Barthel

VC