Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1273

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1273, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/5390 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1273:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 11 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 juni 2017, 16/3145 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.J. van der Torn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Torn. Het Uwv is niet verschenen.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 9 oktober 2015, gehandhaafd bij een beslissing op bezwaar van 23 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 15 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat appellant naar aanleiding van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) in staat wordt geacht om meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het Uwv heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 april 2016.
2.1.
In beroep heeft appellant aangevoerd dat de artsen van het Uwv zijn lichamelijke en psychische beperkingen hebben onderschat. Appellant acht zich sterk beperkt voor reiken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport van medisch adviseur M. Blom (medisch adviseur) ingebracht.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien verzekeringsarts H.J.M. Stammers te benoemen als deskundige. Deze deskundige heeft op 19 januari 2019 een onderzoek verricht en op 23 januari 2017 een rapport uitgebracht. Daarin heeft de deskundige te kennen gegeven te kunnen instemmen met de belastbaarheid van appellant zoals verwoord in de FML van 13 april 2016. De deskundige heeft de voor appellant in het kader van de EZWb geselecteerde functies passend geacht. Ten aanzien van het rapport van deze deskundige is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat sprake is van een zorgvuldig onderzoek en dat het rapport inzichtelijk is en consistent. De rechtbank heeft de deskundige gevolgd in zijn conclusies. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voorzien van een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing. Het Uwv heeft het ziekengeld van appellant met ingang van 15 november 2015 op goede gronden beëindigd.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de deskundige niet heeft onderkend dat hij zwaarder beperkt is.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
3.3.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant verzocht om aanhouding omdat in de letselschadezaak een verzekeringsarts nogmaals een expertise zal gaan verrichten.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.
Met betrekking tot het verzoek om aanhouding wordt het volgende overwogen. Appellant heeft dit verzoek eerst ter zitting gedaan zonder daarbij concreet aan te geven op welke termijn een rapport van de verzekeringsarts in de letselschadezaak verwacht zal kunnen worden. Appellant heeft daarnaast in bezwaar, beroep en hoger beroep voldoende gelegenheid gehad medische stukken in te brengen. Appellant heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt, onder meer door inzending van het rapport van de medisch adviseur/verzekeringsarts M. Blom, wiens rapport door de deskundige Stammers in zijn oordeelsvorming is betrokken. Hij heeft voorts, zo blijkt uit de aangevallen uitspraak, aan de rechtbank doen mededelen dat hij geen behoefte had om inhoudelijk te reageren op het uitgebrachte deskundigenrapport. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding het verzoek om aanhouding toe te wijzen.
4.2.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie heeft zich hier voorgedaan. De door de deskundige gebezigde motivering in het rapport van 23 januari 2017 is overtuigend. De deskundige heeft op grond van een zorgvuldig onderzoek, dat bestaan heeft uit dossieronderzoek en eigen onderzoek, toegelicht waarom hij kan instemmen met de belastbaarheid van appellant zoals vastgelegd in de FML van 13 april 2016. Voor zijn beoordeling beschikte de deskundige over informatie van de behandelaars van appellant en over een rapport van de medisch adviseur/verzekeringsarts Blom. De deskundige heeft inzichtelijk uiteengezet waarom hij geen aanknopingspunten ziet om de medisch adviseur te volgen in zijn standpunt dat appellant niet elk uur van de werkdag 600 keer 70 centimeter kan reiken. De deskundige heeft over de psychische klachten gerapporteerd dat er op de datum in geding sprake was van een matige, goed behandelbare depressieve stoornis en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 13 april 2016 ruimschoots aan deze klachten en beperkingen is tegemoet gekomen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding het rapport van de deskundige niet te volgen. Om die reden kent de Raad evenals de rechtbank beslissende betekenis toe aan de conclusies van de door de rechtbank benoemde deskundige. Er bestaat verder geen grond voor twijfel aan het oordeel van de deskundige dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
4.3.
De overweging 4.2 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet daarom worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep:

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

SSa