Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1272

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1272, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/4933 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1272:DOC
nl

17


Datum uitspraak: 11 april 2019

Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juni 2017, 17/477 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als woonbegeleider. Op 16 april 2015 heeft hij zich ziek gemeld met vermoeidheidsklachten. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Na een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is het recht op ziekengeld voortgezet, omdat appellant op dat moment niet ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. In het kader van een toetsing verbetering belastbaarheid in het tweede ziektejaar (toetsing) heeft een verzekeringsarts appellant op 14 september 2016 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 september 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 86,95% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 20 september 2016 vastgesteld dat appellant vanaf 21 oktober 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de beschikbare medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Ook heeft de rechtbank overwogen dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet wordt overschreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 21 oktober 2016 heeft beëindigd.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft aangenomen voor zijn CVS, onder andere wegens zijn energietekort en slaapbehoefte. Ook heeft appellant betoogd dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met een mogelijk excessief ziekteverzuim als gevolg van zijn klachten, waardoor van een werkgever niet kan worden verlangd hem in dienst te nemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief van internist-infectioloog A.E. Brouwer van 19 juli 2017 overgelegd. Appellant is van mening dat een onafhankelijk deskundige moet worden geraadpleegd. Verder heeft appellant aangevoerd dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende heeft toegelicht waarom de geselecteerde functies passend zijn. Volgens appellant is de functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) niet geschikt, omdat hierbij een hoog handelingstempo wordt gevraagd en zeer nauwkeurig en geconcentreerd gewerkt dient te worden.
3.3.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit bij de toetsing wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 7 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4971).
4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, een anamnese is afgenomen en gegevens van de behandelend sector, waaronder informatie van het Centrum voor Slaapgeneeskunde en het Nijmeegse Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid, bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellant is meegewogen. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben voldoende inzichtelijk gerapporteerd hoe zij tot hun bevindingen zijn gekomen.
4.3.
Met betrekking tot de belastbaarheid van appellant wordt geoordeeld dat partijen het eens zijn over de diagnose CVS en de klachten die hiermee gepaard gaan. Wel bestaat er verschil van mening over de vraag in hoeverre deze aandoening moet leiden tot het aannemen van meer beperkingen in de FML. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2678) volgt dat het bij het vaststellen van beperkingen moet gaan om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte of gebrek. Daarbij is het enkel stellen van een diagnose – in dit geval CVS – niet voldoende om te concluderen dat aan die eis van objectiviteit is voldaan. Ondanks de moeilijk objectiveerbare klachten ten gevolge van CVS heeft de verzekeringsarts de klachten van appellant erkend door aanzienlijke beperkingen in de FML aan te nemen. Er is duidelijk rekening gehouden met het energietekort, de slaapproblematiek en de vermoeidheidsklachten van appellant. Zowel het dagverhaal van appellant als de brief van internist-infectioloog Brouwer geven geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische toestand van appellant op de datum in geding verdergaande beperkingen met zich mee bracht. Nu er geen twijfel is over de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv wordt geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
4.4.
De grond van appellant, dat sprake zal zijn van excessief ziekteverzuim indien hij zal deelnemen aan het reguliere werkproces, slaagt niet. Uit de voorhanden zijnde medische informatie blijkt niet van een zodanig te verwachten ziekteverzuim dat tewerkstelling van appellant in redelijkheid niet van een werkgever kan worden verlangd. Van een situatie als bedoeld in artikel 9, aanhef en onder e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is daarom geen sprake.
4.5.
Met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 oktober 2017 is voldoende vast komen te staan dat de aan de toetsing ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant in deze functies niet wordt overschreden.
5. De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) R.P.W. Jongbloed

VC