Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1269

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1269, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/1586 ZW


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1269:DOC
nl

16/1586 ZWCentrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2016, 15/2881 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Bij brief van 31 oktober 2017 heeft het Uwv een nadere vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2018. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. Het onderzoek ter zitting is in verband met de afwezigheid van de gemachtigde van appellante geschorst.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 26 januari 2005 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante per 22 januari 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij per die datum geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid. Het tegen dit besluit door appellante ingestelde bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 1 maart 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 22 augustus 2005 het door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 1 maart 2005 vernietigd. Bij uitspraak van 27 februari 2008 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
1.2.
Bij brief van 15 mei 2008 heeft appellante de Raad verzocht om ingevolge het bepaalde in artikel 8:88 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de uitspraak van 27 februari 2008 te herzien. Bij uitspraak van 7 januari 2009 is het verzoek om herziening door de Raad afgewezen. Daartoe heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:
“In dat verband wijst de Raad erop dat verzoekster in 2004 is uitgevallen met rugklachten en dat er geen medische onderbouwing is voor het door gemachtigde ingenomen standpunt dat de rugklachten in 2004 toe te schrijven waren aan MS. Voorts kan uit de enkele diagnosestelling niet de conclusie worden getrokken dat verzoekster op 22 januari 2005 zodanige medische beperkingen had dat zij haar arbeid niet kon verrichten”.

1.3.
Vervolgens heeft appellante bij brief van 22 oktober 2014 het Uwv verzocht om het besluit van 26 januari 2005 te herzien op basis van nieuw gebleken feiten en omstandigheden. Bij het verzoek zijn diverse (medische) stukken ingediend, onder meer van neuroloog W.C. Baard, waarin is vermeld dat bij appellante in november 2008 MS is vastgesteld.
2. Bij besluit van 23 februari 2015 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 26 januari 2005 omdat uit de ter beschikking staande feiten en omstandigheden niet de conclusie kan worden getrokken dat appellante op 22 januari 2005 zodanige medische beperkingen had dat zij haar arbeid niet kon verrichten. Voorts heeft het Uwv geoordeeld dat uit de stukken evenmin blijkt dat er in de periode 2005-2006 een periode is aan te wijzen waarin appellante doorlopend, langdurig of onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest voor haar arbeid, zodat de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA niet is vervuld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 4 mei 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv genoegzaam heeft gemotiveerd waarom er uit de door appellante overgelegde stukken niet kan blijken van een relatie tussen de in 2008 gestelde diagnose MS en de klachten op de datum in geding, 22 januari 2005, zodat van een duuraanspraak als bedoeld in de uitspraak van 30 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:862) geen sprake kan zijn.
4.1.
In hoger beroep heeft appellante – samengevat – aangevoerd dat de in november 2008 gestelde diagnose met zich brengt dat nu een objectivering is gegeven van de klachten en de beperkingen die appellante sinds 2004 ervaart. Ten onrechte zijn deze klachten door het Uwv destijds niet vertaald in beperkingen. Indien dit wel was gebeurd had dit, zo stelt appellante, geleid tot handhaving van de ZW-uitkering per 22 januari 2005 en het vervullen van de wachttijd voor de Wet WIA. De rechtbank en het Uwv hebben dat ten onrechte miskend. Ter motivering van haar standpunt heeft appellante nadere stukken in het geding gebracht.
4.2.
Het Uwv heeft in verweer, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 september 2017, het standpunt ingenomen dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het eerder ingenomen standpunt. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.
Appellante heeft met haar verzoek van 22 oktober 2014 het Uwv gevraagd terug te komen van het besluit van 26 januari 2005, waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat appellante per 22 januari 2005 geen recht meer heeft op ziekengeld. Daarnaast heeft appellante verzocht haar aanspraken per einde wachttijd te beoordelen. Appellante heeft bij dit verzoek onder meer een brief van de huisarts van 26 september 2013 en een brief van de neuroloog van 26 februari 2014 gevoegd.
5.2.
Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad, onder verwijzing naar de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:CRVB:2016:3131), zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd.
5.3.
Uitgangspunt in het nieuwe toetsingskader is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
5.4.
Zoals blijkt uit zijn brief van 31 oktober 2017 heeft het Uwv naar aanleiding van het verzoek van appellante om terug te komen van de hersteldverklaring per 22 januari 2005 de medische situatie van appellante vanaf 2005 opnieuw inhoudelijk beoordeeld. Daarbij is vastgesteld dat de medische gegevens van destijds, en ook de nadien beschikbaar gekomen gegevens, geen aanleiding geven om terug te komen van de hersteldverklaring per 22 januari 2005. Voorts heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de wachttijd in het kader van de Wet WIA niet is vervuld.
5.5.
De vraag is of het Uwv in de thans voorhanden zijnde medische gegevens aanleiding had behoren te vinden het besluit van 26 januari 2005 te herzien. Die vraag wordt ontkennend beantwoord.
5.6.
De verzekeringsarts G.H. Moggré heeft na bestudering van de beschikbare gegevens in zijn rapport van 18 februari 2015 inzichtelijk gemotiveerd, waarom de rugklachten waar appellante in 2004 melding van maakte, niet toe te schrijven zijn aan de in 2008 gestelde diagnose MS. De verzekeringsarts heeft daarbij gesteld dat, ook al zouden de rugklachten uit 2004 een eerste verschijnsel van MS zijn geweest, hieruit gelet op het klinisch beeld van destijds, het beloop, de (objectieve) bevindingen en het destijds verrichte onderzoek, niet de conclusie kan worden getrokken dat appellante op 22 januari 2005 zodanige medische beperkingen had dat zij haar arbeid niet kon verrichten. Daarnaast verwijst de verzekeringsarts naar de uitspraak van de Raad van 7 januari 2009 waarin is geoordeeld dat er met betrekking tot de datum 22 januari 2005 geen medische informatie is die als novum kan worden aangemerkt. Tot slot concludeert de verzekeringsarts dat uit de stukken evenmin de conclusie kan worden getrokken dat er in de periode 2005 – 2006 een periode is aan te wijzen waarin appellante doorlopend, langdurig of onafgebroken arbeidsongeschikt te achten zou zijn geweest waardoor de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA zou zijn vervuld.
5.7.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na dossierstudie te hebben verricht en appellante bij de hoorzitting te hebben gesproken, het oordeel van de primaire verzekeringsarts gemotiveerd onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daaraan toegevoegd dat uit de medische informatie van destijds slechts aspecifieke lage rugpijnklachten naar voren komen, waarbij de pijn soms uitstraalde naar de gluteusregio. Dit zijn, zeker in/rond een zwangerschap zoals bij appellante destijds het geval was, zeer veel voorkomende gezondheidsklachten. Van het bestaan van sensibiliteitsstoornissen werd noch door de behandelend sector noch door de verzekeringsarts destijds melding gemaakt. Verder waren de beenreflexen bij het lichamelijk onderzoek van appellante destijds normaal. Uit de medische gegevens rond de datum in geding valt niet op te maken dat in enige mate sprake was van de kernsymptomen van MS, te weten spierzwakte, coördinatiestoornissen, oogklachten en stoornissen in de sensibiliteit.
5.8.
Er is geen aanleiding te twijfelen aan dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsartsen van het Uwv. Gelet op de gedingstukken is destijds door appellante voorafgaand ten tijde van de hersteldverklaring melding gemaakt van rugklachten, die uitstraalden naar billen en been. Met die klachten is destijds door de verzekeringsartsen rekening gehouden. Dat door de huisarts in zijn brief van 26 september 2013 en de behandelend neuroloog in zijn brief van 26 februari 2014 niet wordt uitgesloten dat deze rugklachten een eerste symptoom kunnen zijn geweest van de in oktober 2008 bij appellante vastgestelde aandoening MS, geeft geen aanleiding de hersteldverklaring van destijds voor onjuist te houden. Hier komt bij dat van vermoeidheidsklachten, die vanaf 2007 in de medische rapporten worden vermeld, destijds – ook in het tegen de hersteldverklaring ingediende bezwaarschrift – door appellante geen melding zijn gemaakt. Tevens is van belang dat appellante eerst in november 2014 de hersteldverklaring per 22 januari 2005 weer ter discussie heeft gesteld. Het feit dat het Uwv deze hersteldverklaring weer inhoudelijk heeft beoordeeld doet niet af aan de vaste rechtspraak dat eventuele onduidelijkheid omtrent de medische situatie van destijds die voortvloeit uit de late aanvraag, voor rekening en risico van de aanvrager komt. Het Uwv kan dan ook worden gevolgd in zijn standpunt dat er geen aanleiding is om terug te komen van het besluit van 26 januari 2005. Niet in geschil is dat in dat geval geen sprake is van een wachttijd in het kader van de Wet WIA die na 104 weken is vervuld.
5.9.
Uit wat in 5.1 tot en met 5.8 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Bij deze beslissing is er geen grond voor toewijzing van het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
beslissing

BESLISSING

- bevestigt de aangevallen uitspraak;- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De Centrale Raad van Beroep:

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2019.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) R.P.W. Jongbloed

VC