Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1252

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1252, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2374 WSF


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1252:DOC
nl

18


Centrale Raad van BeroepEnkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 maart 2018, 17/4662 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 10 april 2019

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2019. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant stond van 1 augustus 2016 tot en met 19 december 2016 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het adres [adres] . De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellant vanaf 1 augustus 2016 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.
1.2.
Bij besluit van 20 januari 2017 heeft de minister appellant vanaf 1 augustus 2016 alsnog als thuiswonend aangemerkt in verband waarmee de vanaf die datum toegekende studiefinanciering is herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende. Voorts is een bedrag van € 1.241,92, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellant is betaald, van hem teruggevorderd.
1.3.
Bij besluit van 21 juni 2017 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2017 ongegrond verklaard. Aan de herziening heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit een op 13 december 2016 verrichte controle is gebleken dat appellant op dat moment niet woonde op het adres waaronder hij in de brp stond ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op het brp-adres van appellant. Daarbij heeft de hoofdbewoonster tegenover de controleurs verklaard dat appellant sinds ongeveer twee weken niet meer op dat adres woont en dat in de woning alleen nog enkele spullen van hem liggen. De herziening heeft ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 met terugwerkende kracht plaatsgevonden vanaf 1 augustus 2016. Appellant heeft geen bewijs overgelegd waaruit onomstotelijk blijkt dat hij in de periode vóór 13 december 2016 wel woonde op zijn brp-adres.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant ten tijde van het huisbezoek op 13 december 2016 niet woonde op zijn brp-adres. Daarmee staat vast dat appellant op dat moment niet voldeed aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Deze vaststelling leidt voor appellant als gevolg van (de werking van) artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 in beginsel tot een herziening van de aan hem toegekende studiefinanciering naar de norm die geldt voor een thuiswonende studerende met ingang van 1 augustus 2016. De minister hoefde geen aanleiding te zien met toepassing van de hardheidsclausule de periode waarover is herzien te beperken. Appellant heeft namelijk niet onomstotelijk bewezen dat hij in (een deel van) de periode voor het huisbezoek wel heeft gewoond op zijn brp-adres. De verklaringen van twee bewoners van het brp-adres zijn onvoldoende specifiek en worden niet ondersteund met verklaringen van objectieve derden en/of andere bewijsmiddelen. 3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister met de op 13 december 2016 verrichte controle niet heeft bewezen dat hij in de periode van augustus 2016 tot begin december 2016 niet woonde op zijn brp-adres. Er heeft geen onderzoek in de woning op het brp-adres plaatsgevonden en drie bewoners van het brp-adres hebben verklaard dat hij daar wel heeft gewoond.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Uitgangspunt bij een belastend besluit, zoals een hier aan de orde zijnde herziening, is dat de bewijslast in eerste instantie op het bestuursorgaan rust. De minister moet aannemelijk maken dat de studerende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit de wettelijke systematiek, zoals uitgebreid beschreven in de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, vloeit voort dat de op de minister rustende bewijslast beperkt is tot het aannemelijk maken dat de studerende op een bepaald moment niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Is dat bewijs door de minister geleverd dan wordt, ingevolge de werking van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, door de wetgever vermoed dat ook in de daaraan voorafgaande periode niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Het wettelijk vermoeden wordt alleen opzij gezet indien de studerende onomstotelijk bewijs levert waaruit blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is.
4.2.
Met de op 13 december 2016 door de hoofdbewoonster van het brp-adres tegenover de controleurs afgelegde verklaring dat appellant op dat moment niet (meer) woont op het brp-adres, heeft de minister voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Gelet op deze verklaring, welke door appellant ook niet wordt betwist, was een onderzoek in de woning op het brp-adres niet nodig. De stelling van appellant dat de minister met de op 13 december 2016 vastgestelde overtreding van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 niet heeft bewezen dat appellant in de periode van augustus 2016 tot begin december 2016 niet woonde op zijn brp-adres miskent, zoals uit 4.1 volgt, de werking van het in artikel 9.9 van de Wsf 2000 neergelegde wettelijk vermoeden. Anders dan appellant meent rust de bewijslast voor de periode voorafgaand aan de vaststelling dat hij niet woonde op het brp-adres niet op de minister maar volledig op hem zelf.
4.3.
Van de studerende die onomstotelijk bewijs moet leveren, worden bewijsmiddelen verlangd die zodanig overtuigend zijn, dat zij, ook als zij in onderlinge samenhang worden bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan de controle wel op het brp-adres moet hebben gewoond. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1246. Met de rechtbank, en onder overneming van de door de rechtbank daartoe gegeven overwegingen, wordt geoordeeld dat appellant er niet in geslaagd is het verlangde bewijs te leveren op grond waarvan voorbij moet worden gegaan aan het wettelijk vermoeden. De stelling van appellant in hoger beroep dat ook de hoofdbewoner van het brp-adres tegenover de controleurs een verklaring heeft afgelegd over de woonsituatie van appellant op dat adres, vindt geen steun in de stukken.
4.4.
Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

IvR