Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:1247

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-04-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 10-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:1247, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 13/4071 AWBZ


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:1247:DOC
nl

13

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 26 juni 2013, 13/735 en 13/1422 (aangevallen uitspraak 1) en tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 april 2016, 15/2597 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)


CIZ

Datum uitspraak: 10 april 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

CIZ heeft verweerschriften ingediend en in 13/4071 AWBZ nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 13/4071 AWBZ heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Namens appellante is mr. Schyns verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.
De Raad heeft het onderzoek in zaak 13/4071 AWBZ heropend en vervolgens in beide zaken neuroloog A.H.C. Geerlings benoemd als deskundige. Deze heeft op 6 maart 2017 rapport uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport ingezonden. De deskundige heeft op die reacties gereageerd met een aanvullend rapport van 3 juli 2017. Appellante heeft gereageerd op dit nadere rapport van Geerlings.

De Raad heeft vervolgens internist Th.M. Erwteman als deskundige benoemd. Deze heeft op 5 juni 2018 rapport uitgebracht. Partijen hebben gereageerd op dit rapport en op een nader rapport van Erwteman van 18 oktober 2018.

Partijen hebben toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren in 1970, beschikte in verband met haar beperkingen over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging, klasse 2, en voor verpleging, klasse 1, voor de periode van 8 september 2011 tot en met 7 september 2013.
1.2.
Wegens verslechtering van haar gezondheidstoestand heeft appellante op 6 december 2012 een aanvraag bij CIZ ingediend voor uitbreiding van de geïndiceerde zorg. CIZ heeft appellante bij besluit van 8 januari 2013 geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 2, van 8 januari 2013 tot en met 7 juli 2013 en voor verpleging, klasse 1, van 8 januari 2013 tot en met 7 april 2013 en vervolgens klasse 0 (0 tot 0,9 uur per week) van 8 april 2013 tot en met 7 juli 2013. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3.
CIZ heeft het bezwaar bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. CIZ heeft hieraan ten grondslag gelegd dat bij appellante sprake is van een somatische grondslag voor AWBZ-zorg ten gevolge van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en de ziekte van Sjögren. Omdat CIZ appellante in staat acht de persoonlijke verzorging zelf uit te voeren in haar eigen tempo, zo nodig met gebruikmaking van hulpmiddelen, bestaat hierop echter geen aanspraak. Ten aanzien van de functie verpleging heeft CIZ onder meer overwogen dat de behandeling waarvoor verpleging nodig is niet conform de huidige stand van de wetenschap en praktijk is. Daarnaast heeft CIZ in de beoordeling betrokken dat voorliggende behandeling mogelijk is in de vorm van cognitieve gedragstherapie (CGT) of graded exercise therapie (GET). CIZ heeft zijn standpunt doen steunen op een medisch advies van 8 april 2013.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft op 2 december 2014 een nieuwe aanvraag om AWBZ-zorg gedaan bij CIZ en opnieuw verzocht haar te indiceren voor persoonlijke verzorging en verpleging. Bij besluit van 9 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2015 (bestreden besluit 2), heeft CIZ deze aanvraag afgewezen. Hieraan ligt nagenoeg dezelfde motivering als in bestreden besluit 1 ten grondslag. CIZ heeft hierbij verwezen naar het in 1.3 vermelde medisch advies, aanvullende medisch adviezen van 18 juni 2013 en 28 juni 2013 en naar een medisch advies van 22 juni 2015.
4. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
5. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de adviezen van de medisch adviseurs ondeugdelijk en onjuist zijn, alleen al doordat deze adviseurs ten onrechte ervan zijn uitgegaan dat appellante lijdt aan CVS. Als gevolg van deze onjuiste aanname is CIZ ook ten onrechte ervan uitgegaan dat behandeling door middel van CGT of GET voorliggend is op de inzet van AWBZ-zorg. Bij de ziekte Myalgische encefalomyelitis (ME) waaraan zij lijdt zal deze behandeling volgens appellante een averechts effect hebben. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij niet tot zelfzorg in staat is en dat haar behandeling wel conform de huidige stand van de wetenschap en praktijk is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar diverse (medische) stukken.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1.
Tussen partijen is in geschil of appellante recht heeft op AWBZ-zorg, bestaande uit persoonlijke verzorging en verpleging.
6.2.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 28 oktober 2015 heeft de Raad aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek te laten verrichten door neuroloog Geerlings. Voor de beoordeling of appellante lijdt aan CVS of ME heeft deze deskundige in zijn rapport van 6 maart 2017 gewezen op de in 2013 uitgebrachte Richtlijn Diagnose, behandeling, begeleiding en beoordeling van patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom van februari 2013, die volgens de deskundige voor de beoordeling als norm moet worden beschouwd. In deze richtlijn wordt gemeld dat de aanduidingen CVS en ME synoniemen zijn. De deskundige heeft op zijn vakgebied geen neurologische afwijkingen bij appellante vastgesteld en ziet geen geobjectiveerde medische gronden op grond waarvan appellante is aangewezen op hulp bij persoonlijke verzorging. De deskundige kan ook niet vanuit zijn vakgebied geobjectiveerde medische gronden aanwijzen op grond waarvan appellante is aangewezen op verpleging in de zin van de AWBZ. Omdat hij niet kan beoordelen of sprake is van een gestoorde immuniteit die leidt tot een noodzaak van hulp bij zelfzorg of verpleging heeft Geerlings een onderzoek aanbevolen door een algemeen internist.
6.3.
In de aanbeveling van de deskundige Geerlings heeft de Raad aanleiding gezien om een nader medisch onderzoek te laten verrichten door internist Erwteman. Deze deskundige heeft in zijn rapporten van 5 juni 2018 en 18 oktober 2018 geconcludeerd dat de laboratoriumuitslagen niet wijzen op een klinisch relevante immunodysfunctie. Er is geen immuniteitsstoornis aangetoond. Appellante is volgens Erwteman op medische gronden niet aangewezen op verpleging omdat de medische onderbouwing van het nut van de behandeling, in dit geval bestaande uit het door een ander toedienen van Fragmin- en vitamine B12-injecties en immunoglobuline-infusen, ontbreekt. Voor wat betreft de persoonlijke verzorging heeft Erwteman verwezen naar het oordeel van de deskundige Geerlings.
6.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gegeven motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de door de Raad geraadpleegde deskundigen in onderlinge samenhang bezien geven blijk van een zorgvuldig onderzoek, zijn inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komen de Raad overtuigend voor. De door appellante tegen de rapporten aangevoerde bezwaren geven geen aanleiding om de conclusies van de deskundigen niet te volgen. In het rapport van de deskundige Geerlings is vermeld op welke wijze het (lichamelijk) onderzoek heeft plaatsgevonden. Geerlings heeft in zijn reactie van 3 juli 2017 toegelicht dat wat appellante in haar zienswijze op het rapport over het (lichamelijk) onderzoek heeft opgemerkt, geen reden vormt tot het aanvullen of inhoudelijk wijzigen van zijn rapport. Dit geeft de Raad geen aanleiding om aan de zorgvuldigheid van de wijze waarop het (lichamelijk) onderzoek is uitgevoerd te twijfelen. Dat de zienswijzen van de deskundigen afwijken van de opvatting van appellante over haar medische situatie, is niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.
6.5.
Wat in 6.2 tot en met 6.4 is overwogen houdt in dat CIZ bij de bestreden besluiten terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante in staat wordt geacht de persoonlijke verzorging zelf uit te voeren en niet langer is aangewezen op verpleging. De Raad komt daarom niet toe aan bespreking van de hogerberoepsgronden tegen het standpunt van CIZ dat behandeling met CGT of GET voorliggend is. De hoger beroepen slagen niet en de aangevallen uitspraken zullen, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

- bevestigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;- bevestigt aangevallen uitspraak 2.
De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.D.F. Smit-de Moor

md