Uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:12

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-01-2019. De uitspraak is gedaan door Centrale Raad van Beroep op 03-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CRVB:2019:12, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 16/4982 WIA


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:CRVB:2019:12:DOC
nl

16

Centrale Raad van BeroepMeervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2016, 16/75 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 3 januari 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Hupkes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hupkes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

Na schorsing van het onderzoek ter zitting heeft het Uwv gereageerd op door appellant ingediende medische stukken en antwoord gegeven op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 22 november 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hupkes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.


overwegingen

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als buitendienstmonteur beveiligingsinstallaties voor ruim 38 uur per week. Op 19 maart 2012 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. Vlak voor hij zijn werk weer zou hervatten is appellant met zijn fiets gevallen door een overstekende loslopende hond. Die val heeft geleid tot lichamelijke klachten en problemen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd van 104 weken heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft appellant een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangen.
1.2.
In het kader van een melding van een achteruitgang in zijn gezondheid heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 6 augustus 2015 (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 72% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 19 augustus 2015 vastgesteld dat appellant met ingang van 20 oktober 2015 geen recht meer heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en evenmin aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de beperkingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Het bestreden besluit berust volgens de rechtbank ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.

3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig onderzoek en dat hij meer beperkingen heeft dan zijn vastgelegd in de FML. Zijn visusklachten zijn niet subjectief van aard, maar reëel en leiden tot ernstige beperkingen. Die visusklachten brengen ook mee dat appellant de geselecteerde functies niet kan vervullen. De rechtbank heeft ten onrechte geen deskundige ingeschakeld. Appellant verzoekt de Raad dit alsnog te doen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Aan de orde is de vraag of de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het geschil tussen partijen in hoger beroep gaat in het bijzonder over de vraag of het Uwv terecht voor de visusklachten van appellant geen beperkingen in de FML heeft opgenomen.
4.3.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden beslissing. Voor de motivering daarvan wordt verwezen naar overweging 3 van de aangevallen uitspraak.
4.4.
De verzekeringsartsen van het Uwv, die vanaf het moment van herbeoordeling bij deze procedure zijn betrokken, hebben steeds het standpunt ingenomen dat de visusklachten van appellant geen aanwijsbare fysieke oorzaak hebben, dat voor die klachten bij neuropsychologisch onderzoek (NPO) geen oorzaak is gevonden en dat de psychiatrische rapporten ook geen aanleiding geven om daarvoor beperkingen aan te nemen. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat zijn visusklachten reëel zijn heeft appellant in hoger beroep diverse rapporten en brieven van (para-)medici ingediend.
4.5.
Anders dan appellant meent, bevestigen die rapporten en brieven het standpunt van het Uwv dat voor de klachten van appellant geen fysieke oorzaak is gevonden. Een oogarts heeft in een brief van 23 november 2016 meegedeeld dat orthoptisch onderzoek geen oogbewegingsstoornissen heeft opgeleverd, dat de visus goed is en dat verder oogheelkundig onderzoek geen afwijkingen heeft getoond. In een brief van 28 februari 2017 hebben een orthoptist en een andere oogarts opgemerkt dat appellant een goede visus heeft, een fraaie OCT, dat de eyetracker goed was en dat een ERG scotopisch en fotopisch niet afwijkend was. Er zijn geen aanwijzingen voor retinale pathologie. Gesproken is van “een functionele gezichtsveldafwijking”, waarvoor begeleiding door een psycholoog is aangeboden. Een GZ-psycholoog heeft in een brief van 22 februari 2017 vermeld dat uitgegaan wordt van “een niet lichamelijk verklaarbare ernstige gezichtsvelduitval”. Een door appellant ingeschakelde verzekeringsarts heeft in een rapport van 24 oktober 2017 desgevraagd geantwoord dat uit haar dossierstudie geen argumenten naar voren komen waarmee op verzekeringsgeneeskundige gronden onderbouwd kan worden dat appellant meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Een andere verzekeringsarts, die als medisch adviseur betrokken is bij een letselschadeprocedure, heeft in een rapport van 11 juli 2017 opgemerkt dat het niet gaat om “medisch objectiveerbare beperkingen op het gebied van de oogarts”. Een neuroloog heeft in drie brieven uit juli, augustus en oktober 2012 uiteengezet dat de oorzaak van de visusklachten meest waarschijnlijk functioneel van aard is, dat op de MRI van de hersenen geen afwijkingen zijn gevonden en dat appellant is verwezen naar een instelling met revalidatie voor somatisch onverklaarbare klachten.
4.6.
Bij appellant is tweemaal een NPO afgenomen op verzoek van twee verschillende psychiaters. Beide NPO’s bleken onbetrouwbaar te zijn wegens onderpresteren en aanwijzing voor malingering dan wel een hoge score op symptoomvaliditeitstests. Daarmee is de constatering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 4 november 2015 dat de visusklachten niet bij een NPO geobjectiveerd konden worden een terechte constatering.
4.7.
Op verzoek van het Uwv heeft in mei 2015 een psychiatrisch onderzoek van appellant plaatsgevonden. Appellant heeft tijdens de bezwaarprocedure een rapport van een andere psychiater van 9 september 2015 ingediend. Deze psychiaters komen tot een verschillende diagnose, te weten een nagebootste stoornis en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Daarnaast heeft een van de door appellant ingeschakelde verzekeringsartsen in navolging van een oogarts gemeld dat appellant bekend is met een conversiestoornis. De andere door appellant ingeschakelde verzekeringsarts heeft vervolgens geadviseerd een onafhankelijk psychiater in te schakelen om te beoordelen of er wellicht toch sprake is van een conversiestoornis. Daarbij is opgemerkt dat het onderscheid tussen conversie, nagebootste stoornis, malingering (simulatie) en een somatoforme stoornis niet eenvoudig is te stellen.
4.8.
Opgemerkt wordt dat beide ingeschakelde psychiaters van mening zijn dat van conversie in dit geval geen sprake is. Zij hebben dit op inzichtelijke wijze gemotiveerd in hun rapporten. Verder is van belang dat een diagnose op zich niet bepalend is voor het aannemen van beperkingen. Belangrijk in dat verband is wat appellant ondanks zijn visusklachten toch kan doen. In haar rapport van 6 februari 2017 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk uiteengezet dat appellant wellicht wel uitval van een deel van het gezichtsveld heeft, maar dat hij daarvan geen wezenlijke beperkingen ervaart. Appellant kan zijn hoofd draaien of een enigszins andere positie innemen, waardoor de functionaliteit van zijn totale blik zodanig is dat een beperking voor het zien hierbij niet te stellen is. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden om deze beoordeling in twijfel te trekken.
4.9.
De hiervoor geformuleerde vraag of het Uwv terecht voor de visusklachten van appellant geen beperkingen in de FML heeft opgenomen wordt dan ook bevestigend beantwoord. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat geen aanleiding. Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.10.
Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

beslissing

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2019.
(getekend) M.C. Bruning

(getekend) H. Achtot

-

bevestigt de aangevallen uitspraak;

wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

LO