Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:81

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-02-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 11-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:81, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1664


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: drs. A. Koster),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussenChugoku Paints B.V, te Fijnaart, appellante

Zaaknummer: 18/1664

het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

(gemachtigde: mr. M.K. Konings).

ECLI:NL:CBB:2020:81:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: drs. A. Koster),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 11 februari 2020 in de zaak tussenChugoku Paints B.V, te Fijnaart, appellante
Zaaknummer: 18/1664

het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

(gemachtigde: mr. M.K. Konings).
procesverloop

Procesverloop

Bij besluiten van 8 december 2017 heeft het Ctgb aan appellante toelatingen verleend voor de biociden Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix 2000 en Sea Grandprix Mark II, alle op basis van de werkzame stoffen koperpyrithion en dikoperoxide (de primaire besluiten).

Bij besluit van 25 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft het Ctgb de bezwaren van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de primaire besluiten gewijzigd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover haar bezwaren ongegrond zijn verklaard.

Het Ctgb heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft daarna haar beroepschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ctgb heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. L.W.M. Bruinings-de Boer en drs. A.G.A. Welten.

overwegingen

Overwegingen

Inleiding

1.1
Appellante heeft in oktober 2016 het Ctgb gevraagd om toelatingen voor het op de Nederlandse markt brengen van de biociden Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix Mark II en Sea Grandprix 2000. Het gaat om aangroeiwerende verf voor – kortweg – zeegaande schepen. In de aanvragen heeft appellante als werkzame stoffen vermeld dikoperoxide en koperpyrithion en het gehalte van deze stoffen in de producten.
1.2
Het Ctgb heeft voor deze biociden toelatingen verleend en daarbij een aantal voorschriften vastgesteld, waaronder etiketteringsvoorschriften. Deze etiketteringsvoorschriften heeft het Ctgb gebaseerd op de indeling in gevarenklasse en -categorie volgens de Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening). Deze indeling wordt aangegeven met een zogenoemde gevarenaanduiding die bestaat uit letters en cijfers. Aan de gevarenaanduidingen zijn zinnen verbonden die op de verpakking van de middelen met deze werkzame stof vermeld moeten worden. Voor deze beroepszaak zijn de volgende in de toelatingsbesluiten vastgestelde gevarenaanduidingen en de daarbij behorende etiketteringszinnen relevant: Sea Grandprix 1000 L : Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademingSea Grandprix Mark II: Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademingSea Grandprix 2000 : Gevarenaanduiding H332 Schadelijk bij inademing Gevarenaanduiding H361d Kan het ongeboren kind schaden
1.3
Bij de aanvragen van de toelatingen heeft appellante veiligheidsinformatiebladen gevoegd met gegevens over de in de biociden verwerkte stoffen en mengsels, waaronder gevarenaanduidingen. Deze veiligheidsinformatiebladen komen van de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker (hierna kortweg aangeduid als fabrikant) van de stof of het mengsel. Voor stoffen of mengsels waarvoor geen op grond van de CLP-verordening geharmoniseerde indeling geldt, deelt de fabrikant de stof of het mengsel zelf in naar gevarenklasse en categorie en bepaalt op basis daarvan de gevarenaanduiding. De werkzame stof dikoperoxide is opgenomen in Bijlage VI, deel 3, van de CLP-verordening. Daarvoor geldt een geharmoniseerde classificatie en etikettering volgens de CLP-verordening. De werkzame stof koperpyrithion is nog niet geharmoniseerd in de CLP-verordening.
1.4
Voor het opnemen van de gevarenaanduidingen H322 en H361d in de toelatingsbesluiten heeft het Ctgb niet de gevarenaanduidingen overgenomen van de door appellante bij de toelatingsaanvragen gevoegde veiligheidsinformatiebladen. Het Ctgb heeft deze gevarenaanduidingen zelf bepaald. Het Ctgb meent daartoe bevoegd te zijn op grond van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees parlement en de raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (Biocidenverordening). Het Ctgb heeft de gevarenaanduidingen bepaald aan de hand van de CLP-verordening. Aan Sea Grandprix 2000 heeft het Ctgb de gevarenaanduiding H361d gegeven op basis van het Active Substance Assessment Report van september 2014 dat Zweden als rapporteur-lidstaat heeft uitgebracht in het kader van de goedkeuringsprocedure voor de toepassing in biociden van de werkzame stof koperpyrithion (Assessment Report) en de opinie van het Biocide Product Commitee (BPC-opinie), waarin voor biociden met de werkzame stof koperpyrithion classificatie- en etiketteringsvoorschriften zijn gegeven. De gevarenaanduiding H332 voor Sea Grandprix 1000 L, Sea Grandprix 2000 en Sea Grandprix Mark II heeft het Ctgb daarnaast ook gebaseerd op eigen berekeningen aan de hand van de richtsnoeren die het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) heeft gegeven in de Guidance on the Application of the CLP Criteria, version 5.0, July 2017 (Guidance).
1.5
Appellante is het niet eens met de indeling van het Ctgb en de daaruit voortvloeiende verplichting om de gevaarzinnen “Schadelijk bij inademing” en/of “Kan het ongeboren kind schaden” op de etiketten te vermelden. Volgens appellante moet het Ctgb op grond van het systeem van de CLP-verordening voor de aan de toelatingen verbonden etiketteringsvoorschriften uitgaan van de gevarenaanduidingen in de veiligheidsinformatiebladen van de fabrikant en is het Ctgb niet bevoegd om zelf de gevarenaanduidingen te bepalen. Voor het geval dat het Ctgb wel zou mogen afwijken van de indeling van de fabrikant, stelt appellante dat er geen reden is om van die indeling af te wijken, omdat de veiligheidsinformatiebladen gebaseerd zijn op de actuele stand van de wetenschap en de eigen indeling van het Ctgb onjuist is, omdat het Ctgb daarbij is uitgegaan van onjuiste veronderstellingen en foute berekeningen.
Bevoegdheidsgrondslag

2.1
Ten eerste voert appellante aan dat het door het Ctgb zelf vaststellen van gevarenaanduidingen, in plaats van de indeling van de fabrikant te volgen, in strijd is met het systeem van de CLP-verordening. Appellante bestrijdt niet dat de Biocidenverordening van toepassing is, maar stelt dat de Biocidenverordening de CLP-verordening onverlet laat. In de CLP-verordening is het classificeren overgelaten aan de fabrikanten van de stoffen en mengsels. Het Ctgb kan daarom niet aan de Biocidenverordening de bevoegdheid ontlenen om zelf een gevarenaanduiding vast te stellen. Het Ctgb mag alleen marginaal beoordelen of de indeling van de fabrikant in overeenstemming is met de CLP-verordening. Het Ctgb mag pas zelf indelen als hij heeft aangetoond dat de indeling van de fabrikant onjuist is. Om fouten bij het indelen te voorkomen zou het Ctgb daarover eerst moeten overleggen met de aanvrager. Appellante stelt dat afwijken van de indeling van de fabrikant de interne integriteit van de CLP-verordening doorbreekt en ertoe kan leiden dat voor niet geharmoniseerde stoffen in verschillende landen verschillende indelingen gaan gelden. De opvatting van het Ctgb dat hij bevoegd is om zelf te classificeren is daarom in strijd met de door de CLP-verordening nagestreefde harmonisatie. Appellante stelt daarom voor om prejudiciële vragen hierover te stellen.
2.2
Het College stelt voorop dat het hier gaat om aanvragen voor toelatingen voor het op de markt brengen van biociden. Daarop is de Biocidenverordening van toepassing. Het Ctgb is bevoegd om over het toelaten van biociden te beslissen. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Biocidenverordening, waarin is bepaald dat aanvragen voor een nationale toelating worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de betreffende lidstaat, uit artikel 81, eerste lid, van de Biocidenverordening, waarin is bepaald dat de lidstaten de voor de toepassing de Biocidenverordening bevoegde autoriteit aanwijzen, en uit artikel 4, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb), waarin het Ctgb is aangewezen als de bevoegde autoriteit voor besluiten over het toelaten van biociden.
2.3
De Biocidenverordening bevat regels over gevarenaanduidingen en etikettering. Zo is in artikel 22 van de Biocidenverordening bepaald dat de toelating een samenvatting bevat van de productkenmerken met informatie over onder meer de gevarenaanduiding en veiligheidsaanbevelingen (artikel 22, tweede lid, aanhef en onder i). Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Biocidenverordening doet de aanvrager van een toelating bij de aanvraag een voorstel voor een samenvatting van de productenmerken van het biocide die, onder meer, de hiervoor genoemde informatie bevat. Over de etikettering is verder in artikel 69, eerste lid, van de Biocidenverordening het volgende bepaald:
“Houders van toelatingen zorgen ervoor dat biociden worden ingedeeld, verpakt en geëtiketteerd overeenkomstig de goedgekeurde samenvatting van de productkenmerken van het biocide, met name de in artikel 22, lid 2, onder i), bedoelde gevarenaanduidingen en veiligheidsaanbevelingen, [...], en indien van toepassing, Verordening (EG) nr. 1272/2008.”

2.4
De Biocidenverordening gaat er dus vanuit dat de door appellante bij de toelatingsaanvragen ingediende veiligheidsinformatiebladen en de daarin vermelde gevarenaanduidingen een voorstel inhouden. Niet valt niet in te zien dat het Ctgb niet bevoegd zou zijn om dit voorstel te beoordelen of dat het Ctgb dit voorstel ongewijzigd zou moeten overnemen. Gelet op artikel 22, tweede lid, aanhef en onder i, en artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Biocidenverordening is het Ctgb bevoegd om alleen tot toelating over te gaan onder de voorwaarde dat de juiste, door het Ctgb zelf vastgestelde gevarenaanduiding wordt gebruikt.
2.5
Het Ctgb heeft de via de veiligheidsinformatiebladen voorgestelde gevarenaanduidingen beoordeeld aan de hand van de CLP-verordening. Doel van de CLP verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu alsmede het vrije verkeer van stoffen, mengsels en voorwerpen te waarborgen door onder meer de criteria voor de indeling van stoffen en mengsels en de voorschriften voor de etikettering en verpakking van gevaarlijke stoffen en mengsels te harmoniseren en te voorzien in verplichtingen voor fabrikanten, zoals de verplichting om in de handel gebrachte stoffen en mengsels in te delen. Dit doel is omschreven in artikel 1, eerste lid, van de CLP-verordening.
2.6
In de CLP-verordening is de indeling naar gevarenklasse en -categorie van nog niet geharmoniseerde stoffen en mengsels overgelaten aan de fabrikanten. Dit blijkt uit onder meer de artikelen 4, eerste lid, en 5 en 6, van de CLP-verordening. Dit doet echter niet af aan de bevoegdheid die het Ctgb heeft op grond van de Biocidenverordening om bij het toelaten van een biocide de gevarenaanduidingen van de fabrikant niet te volgen en zelf de juiste gevarenaanduidingen vast te stellen als voorwaarde van toelating. De CLP-verordening staat de toepassing van de Biocidenverordening immers niet in de weg. Zo is in overweging 47 bij de totstandkoming van de CLP-verordening vermeld dat – de destijds nog van toepassing zijnde voorganger van de Biocidenverordening – Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement van de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (Biocidenrichtlijn), onverkort van toepassing moet blijven op de onder de werkingssfeer van die richtlijn vallende producten. In dit verband wijst het College ook op artikel 15, vijfde lid, van de CLP-verordening. Hierin is, voor zover voor deze zaak relevant, bepaald:
“Evaluatie van de indeling van stoffen en mengsels[...]5. Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn, ingeval de stof of het mengsel onder het toepassingsgebied van [...] Richtlijn 98/8/EG valt, de voorschriften van die richtlijnen eveneens van toepassing.”
In de CLP-verordening wordt ook nog in artikel 25, tweede lid en artikel 30, derde lid, verwezen naar de Biocidenrichtlijn of daaraan voorafgaande richtlijnen. Ook hieruit blijkt dat bij classificeren en etiketteren niet aan de Biocidenverordening voorbijgaan gegaan kan worden.

2.7
Andersom wordt, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3, in de Biocidenverordening ook verwezen naar de CLP-verordening. Uit de verwijzingen in de Biocidenverordening en de CLP-verordening naar elkaar blijkt dat de Europese wetgever zich er rekenschap van heeft gegeven dat beide verordeningen regels geven voor de classificatie en etikettering van op de markt te brengen biociden. Er is dan ook geen twijfel over dat de CLP-verordening de Biocidenverordening onverlet laat en dat de Biocidenverordening onverkort van toepassing is op de toelating van biociden. Met de toepassing van de Biocidenverordening wordt de door de CLP-verordening nagestreefde harmonisatie niet doorkruist, omdat de CLP-verordening zelf de mogelijkheid openlaat dat een nog niet geharmoniseerde stof of mengsel door verschillende fabrikanten, importeurs of downstreamgebruikers verschillend kan worden ingedeeld. Nu er over dit geschilpunt sprake is van een helder stelsel van Europese rechtsregels, bestaat er voor het College geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen.
2.8
Het betoog van appellante dat het Ctgb op grond van de CLP-verordening gehouden zou zijn om in de toelatingen de gevarenaanduidingen van de veiligheidsinformatiebladen over te nemen slaagt dus niet. Datzelfde geldt voor het betoog dat het Ctgb zich zou moeten beperken tot het marginaal controleren van de indeling van de fabrikant op de veiligheidsinformatiebladen. Het Ctgb is immers niet de bevoegde instantie om de naleving van de CLP-verordening te handhaven.
Actuele stand van de wetenschap

3.1
Appellante bestrijdt het standpunt van het Ctgb dat de gevarenaanduiding in het veiligheidsinformatieblad niet gebaseerd zou zijn op de actuele stand van de wetenschap. Het Ctgb gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat de fabrikant zich moet baseren op alle beschikbare informatie. Op grond van de artikelen 5 en 15 van de CLP-verordening hoeft de fabrikant alleen die informatie te betrekken die hij adequaat en betrouwbaar vindt. Omdat het Assessment Report, waarop het Ctgb de gevarenaanduiding en H332 en H361d onder meer baseert, geen algemeen geaccepteerde wetenschappelijke inzichten bevat heeft de fabrikant het niet bij de indeling van de werkzame stof koperpyrithion betrokken. Het Assessment Report heeft weliswaar aan de basis gelegen van een harmoniseringsvoorstel van Zweden aan het Risk Assessment Committee (RAC), maar dat voorstel is ingetrokken en er is tot op heden geen nieuw voorstel ingediend. Een advies van het RAC heeft volgens appellante een beperkte wetenschappelijke status. Een door het RAC voorgestelde indeling leidt ook niet noodzakelijkerwijs tot de voorgestelde geharmoniseerde indeling, zoals blijkt uit een advies van de Belgische Hoge Gezondheidsraad over een andere antifoulingverf om biologische afbreekbaarheid van dikoperoxide niet mee te wegen in de evaluatie van H332. Daarom mag het Ctgb het Assessment Report niet gebruiken voor zijn eigen indeling. De veiligheidsbladen van de fabrikant zijn van 2016 en dus recenter dan het Assessment Rapport uit 2014.
3.2
Voor de indeling van het niet-geharmoniseerde koperpyrithion gelden op grond van artikel 4, eerste lid, van de CLP-verordening de criteria van titel II van de CLP-verordening. Uit de onder deze titel vallende artikelen 5 en 15 van de CLP-verordening volgt dat de veiligheidsinformatiebladen moeten worden opgesteld aan de hand van de laatste stand van de wetenschap. In artikel 5, eerste lid, van de CLP-verordening is, voor zover relevant, bepaald:
“Inventarisatie en bestudering van de over stoffen beschikbare informatie1. Fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers van een stof inventariseren de relevante beschikbare informatie om te bepalen of aan de stof een materieel, gezondheids- of milieugevaar verbonden is zoals omschreven in bijlage I, en met name de volgende informatie:[...]d) nieuwe wetenschappelijke informatie;e) andere informatie verkregen onder internationaal erkende chemische projecten;[...]2. Fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers bestuderen de in lid 1 bedoelde informatie om na te gaan of die adequaat, betrouwbaar en wetenschappelijk geldig is met het oog op de evaluatie overeenkomstig hoofdstuk 2 van deze titel.”
In artikel 15, eerste en vierde lid, van de CLP-verordening is bepaald:

“Evaluatie van de indeling van stoffen en mengsels1. Fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers nemen alle redelijke maatregelen die hen ter beschikking staan om zich op de hoogte te stellen van nieuwe wetenschappelijke of technische informatie die gevolgen kan hebben voor de indeling van de stoffen of mengsels die zij in de handel brengen. Ingeval een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker kennis heeft van informatie die hij adequaat en betrouwbaar acht, voert die fabrikant, importeur of downstreamgebruiker onverwijld een nieuwe evaluatie overeenkomstig dit hoofdstuk uit.”
“4. Fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers wijzigen de indeling van de stof of het mengsel overeenkomstig de resultaten van de nieuwe evaluatie, tenzij er in bijlage VI, deel 3, geharmoniseerde indelingen of onderverdelingen voor de stoffen zijn vermeld.”

3.3
Het Ctgb is niet uitgegaan van de indeling van koperpyrithion door de fabrikant in het veiligheidsinformatieblad, omdat die volgens het Ctgb niet voldoet niet aan de eisen die in titel II van de CLP-verordening zijn gesteld aan de actualiteit van de wetenschappelijke informatie waarop de gevarenaanduiding moet worden gebaseerd. Volgens Ctgb zijn het Assessment Report en de CBP-opinie de meest recente gegevens waarop de classificatie van een product met koperpyrithion kan worden gebaseerd.
3.4
Het College stelt vast dat het Zweedse voorstel is gedaan in het kader van de harmonisering van koperpyrithion onder de CLP-verordening. Door intrekking ervan is de stof koperpyrithion niet geharmoniseerd onder de CLP-verordening. Hetzelfde Assessment Report heeft echter ten grondslag gelegen aan de goedkeuring van koperpyrithion als werkzame stof onder de Biocidenverordening per 1 januari 2016. Daarom kan aan het intrekken van het voorstel van Zweden aan het RAC niet de conclusie worden verbonden dat het Assessment Report om die reden geen actuele wetenschappelijke informatie bevat. Hierin is dus geen reden gelegen om het Assessment Report terzijde te schuiven. Dat het Assessment Report ouder is dan het veiligheidsinformatieblad van koperpyrithiondispersie uit 2016 is ook geen reden om het niet als actueel te beschouwen. Er is door de fabrikant geen wetenschappelijke onderbouwing gegeven waarom geen gebruik is gemaakt van het Assessment Rapport bij het opstellen van het veiligheidsinformatieblad van koperpyrithiondispersie.
Gevarenaanduiding H361d

4. Appellante voert aan dat het Ctgb ten onrechte gevarenaanduiding H361d heeft opgenomen in de toelating van Sea Grandprix 2000. Appellante stelt dat het Ctgb het veiligheidsinformatieblad had moeten volgen, waarin deze gevarenaanduiding niet is vermeld. Uit het Assessment Report blijkt echter dat koperpyrithion classificeert voor reprotoxisch tijdens de ontwikkeling van het ongeboren kind. De reden daarvoor is dat de aangeboren afwijkingen in de dierexperimentele studie zodanig zijn dat hiervoor classificatie nodig wordt geacht. Gegeven deze bevindingen en het ontbreken van een wetenschappelijke onderbouwing van het tegendeel heeft het Ctgb daarom voor de toelating van Sea Grandprix 2000 de gevarenaanduiding H361d noodzakelijk mogen achten.
Berekening van de inhalatietoxiciteit/Gevarenaanduiding H322

5.1.1
Appellante voert aan dat de berekening die het Ctgb ten grondslag heeft gelegd aan het opnemen van gevarenaanduiding H322 in de toelatingsbesluiten niet juist is. Volgens appellante had verweerder bij deze berekening koperpyrithion niet mogen betrekken, omdat appellante een mengsel koperpyrithiondispersie gebruikt. Doordat koperpyrithion in het mengsel is omgeven door een inerte polymere mantel en vanwege de grootte van de polymeren is koperpyrithion niet biologisch beschikbaar en bestaat er geen risico op blootstelling. Omdat koperpyrithion in een vloeistof zit stuift het niet en wordt het niet geïnhaleerd. In het veiligheidsinformatieblad voor dit mengsel heeft de fabrikant daarom de inhalatietoxiciteit alleen gebaseerd op het oplosmiddel xyleen. Omdat koperpyrithion niet beschikbaar is, hoeft het op grond van artikel 12, aanhef en onder b, van de CLP-verordening niet mee te wegen bij het bepalen van de inhalatietoxiciteit. Gelet op dit artikel laat de CLP-verordening ruimte voor een risicogebaseerde beoordeling en niet alleen een gevarengebaseerde beoordeling.
5.1.2
Verder betoogt appellante dat als slechts een deel van een stof biologisch beschikbaar is, alleen dat gedeelte meegenomen behoeft te worden bij de bepaling van de gevarenaanduiding. Appellante heeft daarbij gewezen op een studie van het Institute of Occupational Medicine (IOM) van december 2011 (“Airborne concentration and particle size distribution of antifouling aerosols”) naar de deeltjesgrootteverdeling bij de airless-spraytechniek (IOM-studie), waaruit volgt dat maximaal 25% van de oorspronkelijke hoeveelheid koperpyrithion inhaleerbaar is.
5.1.3
Appellante meent dat zij haar standpunt dat de werkzame stoffen niet of minder biologisch beschikbaar zijn voldoende heeft onderbouwd, nu zij dit anders alleen met niet toegestane dierproeven zou kunnen aantonen. Ctgb heeft aan de onmogelijkheid om studies over de biologische afbreekbaarheid te overleggen geen aandacht besteed.
5.1.4
Appellante bestrijdt dat de door TNO uitgevoerde studie van Chugoku Marine Paints van 21 juli 2016 (TNO-studie) het standpunt van het Ctgb ondersteunt, omdat het in die studie onderzochte product niet vergelijkbaar is met de hier aan de orde zijnde middelen en de studie niet is uitgevoerd volgens OECD Guidance for the testing of chemicals, Acute Inhalation Toxicitiy, nr. 403, 7 september 2009 (Guidance). Er is bij de TNO-studie 25% xyleen aan het product toegevoegd, waardoor de eigenschappen van het product veranderd zijn. Daarbij is xyleen een stof met een inherente inhalatietoxiciteit.
5.1.5
Appellante heeft zelf een berekening gemaakt met als resultaat dat de som van de opgenomen stoffen voor Grandprix 1000L en Sea Grandprix Mark II kleiner is dan 1 en daarom niet als H332 te classificeren zijn. Voor Sea Grandprix 2000 is het resultaat 1,030. Dit is een geringe overschrijding die volgens appellante niet leidt tot indeling H332, omdat de waarde al onder 1 komt door een reductie van de hoeveelheid biologisch beschikbare dikoperoxide met 5%.
5.2
Omdat er door appellante geen studie over de inhalatietoxiciteit is overgelegd, heeft het Ctgb de inhalatietoxiciteit bepaald op basis van de rekenformule die daarvoor is gegeven in de Guidance. Het Ctgb hanteert deze Guidance als een eigen beleidsregel. Op basis van de door appellante opgegeven concentraties heeft het Ctgb volgens deze formule de bijdrage van xyleen en ethylbenzeen (damp) en dikoperoxide en koperpyrithion (stof) bij elkaar opgeteld. Als de som groter dan 1 is, dan is de classificatie H322 van toepassing. Voor Sea Grandprix 1000L is de som 2,09, voor Sea Grandprix 2000 3,27 en de som van Grandprix Mark II is 1,52. Daarom heeft het Ctgb deze middelen ingedeeld met de gevarenaanduiding H322.
5.3.1
Naar het oordeel van het College heeft het Ctgb de argumenten van appellante tegen deze indeling en de wijze waarop die is vastgesteld voldoende gemotiveerd weerlegd. Het standpunt van appellante dat de bijdrage van koperpyrithion niet meegenomen moet worden in de berekening van het Ctgb, omdat deze stof helemaal niet beschikbaar zou komen, is niet in overeenstemming met de door appellante naar voren gebrachte IOM-studie. Daaruit blijkt immers dat koperpyrithion bij de toepassing door middel van airless spray geïnhaleerd kan worden. In het Assessment Report is koperpyrithion ook niet buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de inhalatietoxiciteit. Er zijn geen andere studies in het dossier genoemd waaruit blijkt dat koperpyrithion biologisch niet beschikbaar zou zijn.
5.3.2
Appellante kan zich ook niet beroepen op artikel 12, aanhef en onder b, van de CLP-verordening. Op grond van deze bepaling kan een stof die niet biologisch beschikbaar is buiten beschouwing gelaten worden, maar alleen als dat uit overtuigende, adequate en betrouwbare wetenschappelijke experimentele gegevens blijkt. Daarvan is in dit geval geen sprake.
5.3.3
Voor het op grond van de IOM-studie slechts deels meenemen van de bijdrage koperpyrithion in de berekening, zoals appellante voorstelt, biedt de CLP-verordening geen grondslag. De gevarenclassificatie in de CLP-verordening is gebaseerd op de intrinsieke eigenschappen van de stof, waarbij de mate van blootstelling niet meeweegt. Voor de vaststelling van de intrinsieke eigenschappen is ook niet van belang met welke techniek het middel wordt toegepast. Alleen als geen blootstelling mogelijk is kan de classificatie voor inhalatietoxiciteit achterwege blijven. Appellante heeft geen studies overgelegd waaruit blijkt dat de werkzame stoffen niet of minder beschikbaar zijn. Zij heeft haar stelling dat dit alleen met dierproeven aangetoond zou kunnen worden niet onderbouwd met een gemotiveerde deskundigenverklaring. Gelet hierop en op wat in de vorige alinea’s is besproken komt aan de door appellante gestelde bewijsnood – omdat dierproeven niet zouden zijn toegestaan – geen gewicht toe.
5.3.4
Het Ctgb heeft gemotiveerd bestreden dat het TNO-onderzoek niet uitgevoerd zou zijn volgens de Guidance vanwege de toevoeging van xyleen. De Guidance staat toe dat een middel verdund mag worden met een oplosmiddel als dat nodig is. Het Ctgb stelt dat dat in dit geval nodig was en dat uit de metingen van xyleen voor en na de verdunning is gebleken dat de hoeveelheid xyleen in de testomgeving juist lager wordt en dus niet van invloed kan zijn op de resultaten. De stelling van appellante dat de toevoeging van xyleen maakt dat TNO-studie niet volgens Guidance zou zijn uitgevoerd heeft het Ctgb naar het oordeel van het Ctgb dan ook genoegzaam weerlegd.
5.3.5
Het College concludeert dat wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding vormt om de berekening van het Ctgb van de inhalatietoxiciteit en de daarop gebaseerde indeling met gevarenaanduiding H322 voor onjuist te houden. Over de berekening van appellante zelf volgt het College ook het door het Ctgb hierover ingenomen standpunt dat appellante in haar berekeningen koperpyrithion niet volledig heeft meegenomen en dat dat op grond van de CLP-verordening en de Guidance niet is toegestaan.
6. Uit het voorgaande volgt dat de door appellante aangevoerde gronden tegen de indeling van Sea Grandprix 1000 L en Sea Grandprix Mark II met gevarenaanduiding H332 en de indeling van Sea Grandprix 2000 met de gevarenaanduidingen H332 en H361d niet slagen. Ook de door appellante aangevoerde gronden over de zorgvuldigheid waarmee het bestreden besluit tot stand is gekomen slagen, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, mr. R.W.L. Koopmans en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. M.B. van Zantvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.
w.g. J.H. de Wildt w.g. M.B. van Zantvoort