Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:29

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:29, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1888


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenVeehandel [naam 1] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/1888

en

ECLI:NL:CBB:2020:29:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. R.A. van der Voort).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenVeehandel [naam 1] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/1888

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie voor het jaar 2017 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is eveneens verschenen [naam 2] .

overwegingen

Overwegingen

1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Appellant heeft op 12 mei 2017 een Gecombineerde opgave 2017 bij verweerderingediend en verzocht om uitbetaling van de graasdierpremie.
1.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie 2017 afgewezen, omdat op basis van het aantal dieren waarvoor de graasdierpremie is aangevraagd en na correctie van de oppervlakte grasland op het bedrijf van appellant, de graasdierpremie is vastgesteld op € 998,62 en dat bedrag lager is dan het drempelbedrag van € 1.000,00.
maar het primaire besluit niet herroepen, omdat het gegronde bezwaar geen gevolgen heeft voor de uitbetaling van de graasdierpremie. Daartoe heeft verweerder, voor zover in beroep relevant, het volgende overwogen. Gebleken is dat 7 van de 262 schapen niet juist waren geregistreerd in het systeem van Identificatie en Registratie (I&R-systeem), en daarom niet kunnen worden aangemerkt als subsidiabele dieren. Deze 7 dieren heeft verweerder niet in aanmerking genomen voor de berekening van de graasdierpremie. In de bezwaarfase heeft verweerder het beroep van appellant op geen schuld in de zin van artikel 77, tweede lid van de Verordening (EU) nr. 1306/2013 gegrond verklaard, omdat verweerder het aannemelijk acht dat appellant geen schuld treft aan de onjuiste registratie in het I&R-systeem van 4 van de 7 dieren. Een geslaagd beroep op geen schuld, heeft echter alleen tot gevolg dat geen administratieve sanctie wordt opgelegd en heeft niet tot gevolg dat de 4 schapen alsnog worden meegenomen als subsidiabele dieren bij de berekening van de graasdierpremie.
afgewezen en de 4 dieren had moeten laten meetellen bij de vaststelling van de graasdierpremie voor het jaar 2017. Van een sanctie is geen sprake geweest. Appellant heeftgeen invloed dan wel zeggenschap gehad of kunnen hebben over de voorgeschiedenis en meldingen in het I&R-systeem van deze dieren door voorgaande eigenaren. Bovendien zijn deze 4 dieren wel meegeteld en akkoord bevonden bij de vaststelling van de graasdierpremie voor het jaar 2016. Appellant merkt tot slot op dat indien de 4 schapen wel worden aangemerkt als subsidiabele dieren, de graasdierpremie wel boven het drempelbedrag komt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard,
3. Appellant voert aan dat verweerder in eerste aanleg de 4 dieren onterecht heeft
4.1
Het College overweegt als volgt. Schapenhouders zijn sinds 1 januari 2010 verplicht om te voldoen aan de registratie-eisen zoals neergelegd in de Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten. Deze verplichting is in Nederland nader uitgewerkt in het Besluit identificatie en registratie van dieren en in de Regeling identificatie en registratie van dieren.
4.2
Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat de 4 schapen moeten worden aangemerkt als subsidiabele dieren voor het subsidiejaar 2017, omdat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor fouten uit het verleden of fouten van een vorige eigenaar. Door appellant is niet weersproken en voor het College staat vast, dat de 4 schapen onjuist geregistreerd stonden in het I&R-systeem. In artikel 53, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 639/2014 en in artikel 21, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat een juiste registratie van de graasdieren een voorwaarde is om voor de graasdierpremie in aanmerking te komen. Zoals het College oordeelde in haar uitspraak van 4 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2019:469) heeft verweerder daarom terecht de 4 schapen niet als subsidiabele dieren in aanmerking genomen en niet meegenomen bij de berekening van de graasdierpremie voor het jaar 2017. Dit leidt geen uitzondering indien verweerder constateert dat appellant geen schuld treft aan de onjuiste registratie in het I&R-systeem. Anders dan appellant mogelijk meent, had hij er niet op mogen vertrouwen dat met de toekenning van de graasdierpremie in 2016 ook voor het subsidiejaar 2017 een premie zou worden toegekend.
5. De conclusie is dat het beroep ongegrond is.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević in aanwezigheid van mr. S.M.M. Bolt-Hulsen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. S.M.M. Bolt-Hulsen