Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:26

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:26, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/487


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: P.J. Houtsma),
(gemachtigden: mr. M.C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 19/487

en

ECLI:NL:CBB:2020:26:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: P.J. Houtsma),
(gemachtigden: mr. M.C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F., te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 19/487

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluiten van 6 januari 2017, 22 februari 2017 en 23 februari 2017 (de primaire besluiten) heeft verweerder de registratie geweigerd van de overdracht van betalingsrechten, en heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 afgewezen, een en ander op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 23 mei 2017 en bij twee besluiten van 2 juni 2017 heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:666) heeft het College het beroep tegen de besluiten van 23 mei 2017 en 2 juni 2017 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellante.

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 januari 2017 gegrond verklaard en dit besluit herroepen.

Bij besluit van 25 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten van 22 en 23 februari 2017 ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de gemachtigde van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen

1. Voor de relevante feiten en omstandigheden verwijst het College naar zijn eerdere uitspraak tussen partijen van 11 december 2018. In aanvulling daarop geldt het volgende.

1.1
Het College heeft onder meer het volgende overwogen in zijn uitspraak van 11 december 2018:
“6.1 Om aan het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling te voldoen, dient een landbouwer op de uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag met een landbouwactiviteit als eerstgenoemde en daarmee als hoofdactiviteit van de onderneming geregistreerd te zijn in het handelsregister van de KvK. Eén en ander sluit aan bij het bepaalde in artikel 13 van Verordening 639/2014, waarvan het derde lid, ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1307/2013, onder meer bepaalt dat een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon wordt aangemerkt, indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat. Verweerder heeft appellante bij brief van 10 november 2016 betreffende “Insturen accountantsverklaring bij overdracht betalingsrechten” erop gewezen dat zij volgens de gegevens van verweerder met een landbouwactiviteit als nevenactiviteit in het handelsregister van de KvK geregistreerd staat en dat haar hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is. Verweerder heeft appellante in de gelegenheid gesteld uiterlijk 24 november 2016 een accountantsverklaring aan hem te overleggen dan wel haar inschrijving in het handelsregister alsnog vóór 24 november 2016 aan te passen. (…)
6.4
Naar het oordeel van het College heeft verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd waarom hij ondanks de indiening hangende bezwaar van een accountantsverklaring door appellante bezwaar heeft aangetekend tegen de overdrachten van betalingsrechten aan appellante. Zoals verweerder zelf opmerkt (zie onder 6.3 hiervoor), kan een melding overdracht het gehele jaar bij verweerder worden gedaan zonder dat daarbij nadere bewijsstukken moeten gevoegd. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte bezwaar aangetekend tegen de overdrachten zonder de door appellante in de bezwaarfase ingediende accountantsverklaring te beoordelen. Verweerder zal deze accountantsverklaring alsnog dienen te beoordelen en vervolgens dienen te beslissen of hij zijn bezwaar tegen de overdrachten handhaaft. Het voorgaande brengt mee dat verweerder in het kader van de meldingen overdracht onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of appellante ten tijde van de desbetreffende overdrachten op 13 mei 2016 en 14 mei 2016 als actieve landbouwer kon worden aangemerkt en dat de bestreden besluiten in zoverre niet berusten op een deugdelijke motivering.
6.5
Met betrekking tot de vraag of appellante in aanmerking komt voor uitbetaling van de door hem in zijn Gecombineerde opgave 2016 opgegeven (al dan niet aan hem overgedragen) betalingsrechten, overweegt het College als volgt. Indien verweerder na beoordeling van de door appellante ingediende accountantsverklaring concludeert dat appellante voor het subsidiejaar 2016 kan worden aangemerkt als actieve landbouwer, zodat verweerder zijn bezwaar tegen de overdrachten niet langer handhaaft, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom appellante in het kader van de aanvraag om uitbetaling van betalingsrechten op 14 mei 2016 niet als actieve landbouwer zou kunnen worden beschouwd. De bestreden besluiten berusten gelet hierop ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering.”
1.2
Met zijn besluit van 28 februari 2019 heeft verweerder met betrekking tot de overdracht van betalingsrechten in 2016 uitvoering gegeven aan de uitspraak van het College van 11 december 2018. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat voor het leveren van bewijsstukken bij een melding overdracht betalingsrechten, anders dan voor de bewijsstukken die onderdeel zijn van de verzamelaanvraag, geen fatale termijn geldt. De door verweerder op 31 maart 2017 ontvangen accountantsverklaring kan dan ook worden meegenomen. Uit deze accountantsverklaring blijkt dat appellante ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomsten was aan te merken als actieve landbouwer. Dit betekent dat de meldingen overdracht van 13 mei 2016 en 14 mei 2016 alsnog worden verwerkt, aldus verweerder.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat aan appellante geen rechtstreekse betalingen kunnen worden toegekend, omdat zij niet tijdig heeft aangetoond dat zij op de peildatum 15 mei 2016 actieve landbouwer is. Appellante stond ten tijde van de peildatum slechts met een nevenactiviteit landbouw ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK). Een latere wijziging met terugwerkende kracht van de inschrijving bij de KvK heeft niet tot gevolg dat het bedrijf daadwerkelijk op de peildatum met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit stond ingeschreven. Voor het indienen van een accountantsverklaring geldt, net als voor het indienen van de verzamelaanvraag, een fatale termijn. De accountantsverklaring is na afloop van de fatale termijn ontvangen en daarom kan deze niet meegenomen worden in de beoordeling. Omdat de accountantsverklaring niet tijdig is ingediend, kunnen geen rechtstreekse betalingen worden toegekend, nu verweerder niet tijdig heeft kunnen controleren of appellante op de peildatum actieve landbouwer is. Van overmacht is geen sprake. De door appellante aangevoerde grote bedrijfsbrand komt voor haar rekening en risico.
3. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder met het bestreden besluit geen uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van het College om met inachtneming van de uitspraak van 11 december 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De overdracht van de betalingsrechten is bij besluit van 28 februari 2019 goedgekeurd en daarmee is, op het moment dat de uitbetaling moest worden beoordeeld, vast komen te staan dat appellante een actieve landbouwer is. Niet valt in te zien waarom appellante in het kader van de uitbetaling niet als actieve landbouwer moet worden gezien. Verweerder laat na te motiveren waarom de acceptatie van de accountantsverklaring voor de overdracht niet leidt tot uitbetaling van de betalingsrechten. Nieuw in het bestreden besluit is de verwijzing naar uitspraken van het College van een eerdere datum dan de uitspraak van appellante. Hiermee heeft verweerder dan ook niet voldaan aan de opdracht van het College. Voorts heeft appellante in bezwaar nog aangevoerd dat de eerst vermelde activiteit bij de KvK niet automatisch de belangrijkste activiteit is en dat de andere (eerst) vermelde activiteit feitelijk ook een landbouwactiviteit betreft. Verweerder laat deze bezwaren onbesproken.
4. Naar het oordeel van het College heeft verweerder ook met het nieuwe bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom appellante in het kader van de overdracht van betalingsrechten wel als actieve landbouwer kan worden aangemerkt, maar in het kader van de uitbetaling van haar betalingsrechten niet. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen.
5. Zoals het College al eerder heeft geoordeeld in zijn uitspraken van 8 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:325) en van 4 september 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:464), dient de steunaanvrager op de peildatum, in dit geval 15 mei 2016, op de juiste wijze ingeschreven te staan bij de KvK, dan wel met een accountantsverklaring aan te tonen dat hij actieve landbouwer is om voor uitbetaling van de betalingsrechten in aanmerking te komen. Voor de melding overdracht geldt dat verweerder deze kan verwerken als de landbouwer ten tijde van de overdracht kan worden aangemerkt als actieve landbouwer of, indien hij ten tijde van de overdracht niet als actieve landbouwer kan worden aangemerkt, vanaf het moment dat hij als actieve landbouwer kan worden aangemerkt; het College verwijst naar artikel 34 van Verordening 1307/2013, artikel 25 van Verordening 639/2014 en artikel 8 van Verordening 641/2014 zoals geciteerd in de eerdere uitspraak tussen partijen van 11 december 2018. Niet in geschil is dat appellante als actieve landbouwer kan worden aangemerkt ten tijde van de overdracht door middel van de nadien ingediende accountantsverklaring. Partijen verschillen van mening of dit betekent dat appellante ook in het kader van de uitbetaling als actieve landbouwer kan worden aangemerkt op de peildatum.
6.1
Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat haar hoofdactiviteit een landbouwactiviteit is. Dat de eerst vermelde activiteit in het handelsregister van de KvK de hoofdactiviteit is, blijkt niet uit de bepalingen van Handelsregisterwet 2007. Bovendien is sprake van een kennelijke fout. Verweerder had immers de kennis om te zien dat de aanvraag onvolledig of onjuist was, aldus appellante.
6.2
Het College is van oordeel dat deze gronden niet kunnen slagen. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie de eerdere uitspraak tussen partijen van 11 december 2018 en de uitspraak van 8 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:567)), dient een landbouwer om aan het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling te voldoen, op de uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag met een landbouwactiviteit als eerstgenoemde en daarmee als hoofdactiviteit van de onderneming geregistreerd te zijn in het handelsregister van de KvK. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor de correcte inschrijving van zijn bedrijfsactiviteiten in het handelsregister. Het belang van de rangorde van die inschrijving mag in redelijkheid voldoende duidelijk worden geacht. De landbouwer kan eenvoudig controleren of hij op een juiste wijze in het handelsregister staat ingeschreven en voldoet aan de vereisten van artikel 2.3, derde en vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Indien dit niet het geval blijkt te zijn, is het eenvoudig om de registratie aan te (laten) passen. Hetgeen appellante ter zitting heeft aangevoerd, geeft het College geen aanleiding hiervan terug te komen.
6.3
Voorts is naar het oordeel van het College geen sprake van een kennelijke fout. Zoals gezegd is het de eigen verantwoordelijkheid van de landbouwer om te controleren of hij op een juiste wijze is ingeschreven en zo niet, om tijdig een accountantsverklaring in te dienen. Van een kennelijke fout kan worden gesproken als er een tegenstrijdigheid zit in de aanvraag die bij summier onderzoek van de aanvraag opvalt, die wijst op een vergissing en het redelijkerwijs is uitgesloten dat dit ten tijde van de opgave conform de bedoeling van de aanvrager was. Hiervan is naar het oordeel van het College in deze zaak geen sprake.
6.4
Appellante betoogt verder dat, in het geval de eerstgenoemde activiteit als hoofdactiviteit geldt, die activiteit moet worden aangemerkt als verbrede landbouw en daarmee als landbouwactiviteit. De op 15 mei 2016 in het handelsregister van de KvK vermelde hoofdactiviteit van de onderneming van appellante, te weten Productie van elektriciteit door zonnecellen, warmtepompen en waterkracht, kan naar het oordeel van het College niet als landbouwactiviteit worden aangemerkt. Als hoofdactiviteit van de onderneming van appellante stond op 15 mei 2016 geen landbouwactiviteit geregistreerd in het handelsregister van de KvK.

6.5
Het voorgaande brengt mee dat de inschrijving van appellante in het handelsregister van de KvK op 15 mei 2016 niet voldeed aan artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Appellante diende dan ook op andere wijze dan door middel van een inschrijving in het handelsregister aan te tonen dat zij in 2016 een actieve landbouwer was, namelijk door het indienen van een accountantsverklaring.
7.1
Uit artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013, in samenhang gelezen met artikel 13, derde lid, van Verordening 639/2014 en artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling (zoals geciteerd in de uitspraak van 11 december 2018), leidt het College voor de aanvraag om uitbetaling van betalingsrechten af dat bewijsstukken ten aanzien van het zijn van actieve landbouwer, te weten bij een niet correcte inschrijving in het handelsregister van de KvK de accountantsverklaring, reeds bij het indienen van de verzamelaanvraag, althans uiterlijk voor het verstrijken van de kortingsperiode, dienen te worden overgelegd. In artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014) en artikel 4.2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling is bepaald dat alle bewijsstukken die nodig zijn dan wel nodig geacht worden door de bevoegde autoriteit voor de beoordeling van de aanvraag met de aanvraag moeten worden overgelegd. Uit artikel 4.2 van de Uitvoeringsregeling volgt dat de uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag in 2016 13 juni 2016 is. Het College is van oordeel dat uit de Verordeningen en de Uitvoeringsregeling volgt dat de uiterste termijn voor het indienen van de verzamelaanvraag, anders dan de termijn voor het indienen van bewijsstukken in het kader van de melding overdracht, een fatale termijn is, die eindigt bij het verstrijken van de kortingsperiode.
7.2
Het College stelt vast dat appellante de verzamelaanvraag vóór 13 juni 2016 en de accountantsverklaring op 31 maart 2017, en dus na 13 juni 2016 heeft ingediend. Nu appellante haar accountantsverklaring pas op 31 maart 2017 heeft overgelegd, is deze te laat ingediend en hoefde verweerder deze verklaring niet mee te nemen in zijn beoordeling of appellante als actieve landbouwer kan worden aangemerkt in het kader van de aanvraag om uitbetaling van de betalingsrechten, behoudens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden (artikel 13, eerste lid, van Verordening 640/2014). Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken.
7.3
Het vorenstaande heeft in het geval van appellante tot gevolg dat zij niet als actieve landbouwer wordt aangemerkt op 15 mei 2016 voor zover het de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 betreft, omdat zij vóór het verstrijken van de onder 7.1 bedoelde fatale termijn niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit van de onderneming was geregistreerd in het handelsregister van de KvK en vóór het verstrijken van de onder 7.1 bedoelde fatale termijn evenmin een accountantsverklaring had ingediend, terwijl zij (met terugwerkende kracht) op diezelfde datum wel als actieve landbouwer wordt aangemerkt voor zover het de overdracht van betalingsrechten betreft. Anders dan appellante stelt, doet dit niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, nu dit verschil in kwalificatie een gevolg is van de verschillende voorschriften in het kader van de beoordeling bij enerzijds de overdracht van betalingsrechten en anderzijds het recht op uitbetaling op de datum in geding (zie ook het hiervoor onder 5 overwogene). Voor wat betreft de uitbetaling was verweerder (anders dan voor wat betreft de overdracht) gehouden de onder 7.1 bedoelde fatale termijn te eerbiedigen voor het kunnen indienen van een accountsverklaring ten bewijze van het zijn van actieve landbouwer.
8. Verweerder heeft de aanvraag van appellante om uitbetaling van de betalingsrechten voor het jaar 2016 gelet op het voorgaande terecht afgewezen.
9. Het College zal, gelet op het onder 4 overwogene, verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Het College zal voorts bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht dient te vergoeden.
beslissing

Beslissing

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. T. Pavićević en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. H.L. van der Beek w.g. C.S. de Waal

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan appellante te vergoeden;