Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:23

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:23, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/704


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. R.J. de Nekker),
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenV.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/704

en

ECLI:NL:CBB:2020:23:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. R.J. de Nekker),
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenV.O.F. [naam 1] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/704

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op de aan appellante voor het jaar 2017 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 28 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Van de kant van appellante waren ook aanwezig [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de randvoorwaardenkorting van 20% op de rechtstreekse betalingen over 2017 die verweerders Rijksdienst voor Ondernemend Nederland bij het primaire besluit aan appellante heeft opgelegd, mede namens de Gedeputeerde Staten van Fryslân voor zover de korting geldt voor de subsidie agrarisch natuur- en landschapsbeheer (SNL). De randvoorwaardenkorting is opgelegd wegens niet-naleving van artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Voor zover hier van belang is daarin bepaald dat het verboden is dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland of niet-beteelde grond, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd.
2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij het College voor zover dat besluit gebaseerd is op de Uitvoeringsregeling. Daarnaast heeft appellante bij de rechtbank Noord-Nederland beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit de SNL betreft. De rechtbank Noord-Nederland heeft dit beroep bij ongepubliceerde uitspraak van 10 januari 2019 ongegrond verklaard (LEE 18/1347).
3. Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen. Deze beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Bgm.
4. Appellante heeft niet betwist dat de niet-naleving heeft plaatsgehad. Wel heeft zij aangevoerd dat de inspecteur van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit geen toelichting heeft gegeven op de beoordeling van het werkresultaat van de bemesting als B3. Het College stelt vast dat de inspecteur in bijlage 2 bij het inspectieverslag heeft vermeld dat hij heeft vastgesteld dat er drijfmest over het gehele perceel was aangewend, waarbij de mest wel in strookjes, maar plaatselijk niet in de grond was aangebracht. In het inspectieverslag zelf is dit aangeduid als werkresultaat B3 (in strookjes deels op en deels in de grond). Daarmee is voldoende duidelijk wat de inspecteur bij de controle heeft geconstateerd.
5. Het betoog van appellante in beroep komt hoofdzakelijk hierop neer dat zij in een spagaat zat tussen het beschermen van de nesten van weidevogels op het perceel en het emissiearm uitrijden van mest. Zij wilde geen loonwerker met zwaar materieel inschakelen omdat dit de vogels teveel zou verstoren, en heeft daarom zelf het perceel bemest met de eigen zodebemester.
6. Voor zover appellante met haar betoog over de nesten van weidevogels zich erop beroept dat zij de niet-naleving niet opzettelijk, maar uit nalatigheid heeft begaan, overweegt het College het volgende. Zoals uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt, heeft appellante bewust ervoor gekozen om het perceel bouwland, dat direct na de maïsoogst was geploegd en waarop nog restanten maïsstoppels lagen, met een zodebemester te bemesten, terwijl zij wist dat zij daarmee het risico liep dat de mest niet-emissiearm zou worden aangewend. Zoals het College eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 7 april 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:122), is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 27 februari 2014, C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:98), ook sprake van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden indien de steunontvanger zich zodanig gedraagt dat hij de mogelijkheid aanvaardt dat zich daardoor een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden voordoet. Anders dan appellante heeft gesteld, heeft verweerder in het bestreden besluit niet volstaan met de opmerking dat sprake is van langdurig bestendig beleid omdat het al sinds 1998 verplicht is dierlijke mest emissiearm aan te wenden, maar is verweerder ook ingegaan op de feiten en omstandigheden van het geval. De verwijzing naar de uitspraak van het College van 16 december 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BV1035) gaat dan ook niet op. Verweerder is terecht tot de conclusie gekomen dat de niet‑naleving door appellante met opzet is begaan.
7. Nu sprake is van een opzettelijke niet-naleving, kan het betoog van appellant dat verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing, niet slagen. Een waarschuwing is namelijk alleen mogelijk in geval van een niet-naleving die aan nalatigheid te wijten is, op grond van artikel 99, tweede lid, derde en vierde alinea, van Verordening 1306/2013.
8. Voor zover het hiervoor onder 5 bedoelde betoog moet worden opgevat als een beroep op overmacht, overweegt het College het volgende. Wanneer de niet-naleving het gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, wordt de administratieve sanctie van artikel 91, eerste lid, van Verordening 1306/2013, niet toegepast, zo is bepaald in artikel 4, eerste lid, vierde alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Van overmacht is in het licht van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie sprake indien de situatie een abnormale en onvoorziene omstandigheid vormde die appellante niet kende en waarvan de gevolgen ondanks alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden (zie het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hoffmeister, C‑210/00, ECLI:EU:C:2002:440). Het College is met verweerder van oordeel dat de aanwezigheid van nesten van weidevogels op het perceel niet noopte tot het niet‑emissiearm uitrijden van mest. Verweerder heeft erop gewezen dat er alternatieven beschikbaar waren. Zo had appellante voorafgaand aan de bemesting de nesten kunnen markeren. Appellante had ook helemaal kunnen afzien van bemesting van het perceel. Niet kan dan ook worden volgehouden dat het niet-emissiearm uitrijden van de mest niet had kunnen worden vermeden, zodat al om die reden geen sprake was van overmacht.
9. De hoogte van de randvoorwaardenkorting bedraagt in de regel 20% wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan, zo volgt uit artikel 40 van Verordening 640/2014. Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet naleving die de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, leden 1 tot en met 4, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15% of te verhogen tot maximaal 100% van dat totale bedrag. Het College stelt vast dat – anders dan appellante heeft betoogd – de 'Checklist Toepassen randvoorwaarden voor handmatig beoordelen NVWA rapport 2017' een dergelijke evaluatie bevat.
10. De criteria genoemd in artikel 38, leden 1 tot en met 4, van Verordening 640/2014 zijn, kort gezegd, herhaling, omvang, ernst en permanent karakter van een niet-naleving. Verweerder heeft in dit geval vanwege omvang, ernst en permanent karakter van de niet‑naleving geen aanleiding gezien om de korting op minder dan 20% vast te stellen. Het College is van oordeel dat verweerder hiertoe heeft mogen besluiten. Het betoog van appellante dat wat zij als reden voor de niet-naleving heeft aangevoerd, te weten de bescherming van de nesten van de weidevogels, aanleiding voor verweerder had moeten zijn om de korting lager vast te stellen, volgt het College niet. Dit valt namelijk niet onder de criteria die worden genoemd in artikel 38 van Verordening 640/2014. Dat een deel van slechts 0,5 ha is bemest op niet‑emissiearme wijze, zoals appellante heeft aangevoerd, maakt de ernst niet zodanig beperkt dat verweerder, gelet ook op de overige criteria, niet heeft mogen besluiten de korting op minder dan 20% vast te stellen.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.B.L. van der Weele