Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:22

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-01-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:22, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/631


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/631

en

ECLI:NL:CBB:2020:22:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2020 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/631

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling) een randvoorwaardenkorting vastgesteld van 20% op de aan appellante voor het jaar 2017 te verlenen rechtstreekse betalingen.

Bij besluit van 29 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2019. Namens appellante zijn de maten [naam 1] en [naam 2] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de randvoorwaardenkorting van 20% die verweerder aan appellante heeft opgelegd over 2017. De randvoorwaardenkorting heeft verweerder opgelegd wegens niet-naleving van artikel 5, eerste lid, van het Besluit gebruik meststoffen (Bgm). Voor zover hier van belang is daarin bepaald dat het verboden is dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland of niet-beteelde grond, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend.
2. Op grond van de artikelen 91, 92 en 93 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1306/2013) dient een landbouwer die rechtstreekse betalingen ontvangt, de in bijlage II genoemde, uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen in acht te nemen. Bijlage II bij Verordening 1306/2013 verwijst naar de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreinigingen door nitraten uit agrarische bronnen. Deze beheerseisen zijn in Nederland onder meer uitgewerkt in artikel 3.1, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsregeling, en bijlage 3, punt 1.8, bij de Uitvoeringsregeling, waarin wordt verwezen naar artikel 5 van het Bgm.
3. Appellante heeft niet betwist dat de niet-naleving heeft plaatsgehad. Van een perceel niet-beteeld bouwland van 18,66 ha dat appellante in de Gecombineerde opgave 2017 heeft opgegeven, heeft een loonwerker in opdracht van appellante ongeveer 15 ha bemest met een zodebemester. Van die 15 ha is ongeveer 1 ha niet-emissiearm bemest.
4. Appellante betwist wel dat de gedraging van de loonwerker aan haar moet worden toegerekend. Volgens appellante was de loonwerker professioneel, ook gezien zijn vaststelling dat het perceel ongelijke percelen bevatte, en dat het om die reden met een cultivator moest worden voorbewerkt. Dat deze werkinstructie vervolgens door een medewerker van de loonwerker niet is uitgevoerd, kan appellante niet worden verweten, zo vindt zij.
5. Het College stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 27 februari 2014, nr. C-396/12, Van der Ham (ECLI:EU:C:2014:98), heeft geoordeeld dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, deze begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld voor die inbreuk indien hij opzettelijk of nalatig heeft gehandeld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van de gedraging van deze derde. In het arrest heeft het Hof ook overwogen dat voor opzettelijke niet-naleving sprake moet zijn van een inbreuk op de voorschriften inzake randvoorwaarden door een steunontvanger die een toestand van niet-overeenstemming met deze randvoorwaarden beoogt of die – zonder dat hij dit doel voor ogen heeft – de mogelijkheid aanvaardt dat die niet-overeenstemming zich voordoet.
6. Bij appellante was bekend dat het perceel, dat twintig jaar niet was bewerkt, ongelijke delen bevatte, zoals ook blijkt uit de verklaring van de loonwerker. Zoals verweerder heeft opgemerkt, wat appellante niet heeft betwist, brengt een zodebemester de mest minder diep de grond in, wat bij ongelijke grond gevolgen heeft voor het bemestingsresultaat. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellante vanwege het gebruik van de zodebemester specifieke instructies heeft gegeven over de wijze van bemesting, en dat zij op het werkresultaat voldoende toezicht heeft gehouden. Dat de loonwerker heeft geconcludeerd dat het perceel moest worden voorbewerkt, en dat dit vervolgens niet is gebeurd, komt voor rekening van appellante. Het College is van oordeel dat het op de weg van appellante lag om toezicht op de naleving van de randvoorwaarde uit te oefenen en dat appellante, door de uitvoering van de werkzaamheden volledig over te laten aan de loonwerker, de mogelijkheid heeft aanvaard dat de niet-naleving zich zou voordoen. Dat appellante geen economisch gewin op het oog had bij het achterwege laten van instructies en toezicht, zoals zij stelt, is niet relevant. Verweerder is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat de niet‑naleving door appellante met opzet is begaan.
7. De hoogte van de randvoorwaardenkorting bedraagt in de regel 20% wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan, zo volgt uit artikel 40 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (Verordening 640/2014). Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet‑naleving die de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, leden 1 tot en met 4, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15% of te verhogen tot maximaal 100% van dat totale bedrag. De criteria genoemd in artikel 38, leden 1 tot en met 4, van Verordening 640/2014 zijn, kort gezegd, herhaling, omvang, ernst en permanent karakter van een niet-naleving.
8. Appellante heeft gesteld dat de toezichthouders haar direct hadden moeten informeren toen zij van een afstand al constateerden dat mest niet-emissiearm werd uitgereden. Het College begrijpt dit betoog zo dat appellante stelt dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van de randvoorwaardenkorting bij het criterium van de ernst van de niet-naleving van een kleinere oppervlakte had moeten uitgaan. Zoals hiervoor is overwogen, lag het op de weg van appellante om toezicht op de naleving van de randvoorwaardenkorting te houden. Nu zij dat onvoldoende heeft gedaan, heeft de niet-naleving plaatsgehad op de oppervlakte zoals die is geconstateerd. Dat bij een ander verloop van de gebeurtenissen die oppervlakte kleiner zou zijn geweest, is niet relevant voor de beoordeling op grond van artikel 40 van Verordening 640/2014. Dat een oppervlakte van slechts 6% van de percelen is bemest op niet-emissiearme wijze, zoals appellante heeft aangevoerd, maakt de ernst van de niet-naleving niet zodanig beperkt dat verweerder de hoogte van de randvoorwaardenkorting al om die reden lager had moeten stellen. Ook de door appellante aangevoerde omstandigheid dat de mest alsnog zou zijn ondergewerkt, doet niet eraan af dat emissie in het milieu blijvend heeft plaatsgehad en niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het College is van oordeel dat verweerder, gelet op de criteria van omvang, ernst en permanent karakter van de niet-naleving, in onderlinge samenhang bezien, ertoe heeft mogen besluiten de korting niet op minder dan 20% vast te stellen.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. B. Bastein en mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.

w.g. H.L. van der Beek w.g. M.B.L. van der Weele