Uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:195

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-03-2020. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 24-03-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2020:195, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/178


Bron: Rechtspraak

uitspraak
de erven [naam 1] , te [plaats] , appellanten
(gemachtigden: mr. M.C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 19/178

en

ECLI:NL:CBB:2020:195:DOC
nl

uitspraak
de erven [naam 1] , te [plaats] , appellanten
(gemachtigden: mr. M.C. Sluimer en mr. M. van der Zwaard).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2020 in de zaak tussende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 19/178

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellanten om uitbetaling van de betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2017 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 29 juni 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellanten om toewijzing van betalingsrechten uit de Nationale reserve voor jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellanten tegen de twee primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Van de kant van appellanten is verschenen [naam 2] , bijgestaan door [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na afloop van de zitting is het onderzoek geschorst.

Desgevraagd heeft verweerder schriftelijk een nadere reactie gegeven op het beroep. Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid daarop te reageren.

Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het College bepaald dat het onderzoek ter nadere zitting achterwege blijft en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Waar het geschil in wezen over gaat, is de voortzetting van het landbouwbedrijf van de vader van appellanten, [naam 1] , die op 17 juli 2014 overleed. De erfgenamen willen dat de betalingsrechten die vader voor 2015 had kunnen krijgen, worden toegewezen en uitbetaald. In het jaar 2017 is daartoe een Gecombineerde opgave ingediend. In de jaren 2015 en 2016 is geen Gecombineerde opgave gedaan. Anders dan appellanten menen, houden de weigering van de uitbetaling voor het jaar 2017 en de weigering om betalingsrechten uit de Nationale reserve toe te wijzen geen verband met de tenaamstelling van de Gecombineerde opgave 2017 of het relatienummer waaronder deze is ingediend. De reden van de weigering is dat verweerder meent dat niet aan de eisen voor toewijzing en uitbetaling is voldaan.
2. In het kader van de basisbetalingsregeling wordt steun beschikbaar gesteld voor landbouwers die betalingsrechten verwerven door middel van, voor zover hier van belang, een eerste toewijzing krachtens artikel 24, door middel van een toewijzing uit de nationale reserve krachtens artikel 30 of door middel van een overdracht krachtens artikel 34, zo volgt uit artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013).
3. Nu voor het jaar 2015 geen Gecombineerde opgave is gedaan, is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een eerste toewijzing van betalingsrechten aan te vragen. Daargelaten de reden daarvoor – het overlijden van vader en moeilijkheden bij de afwikkeling van de erfenis – moet worden vastgesteld dat geen sprake is geweest van een eerste toewijzing krachtens artikel 24 van Verordening 1307/2013.
4. De tweede mogelijkheid om betalingsrechten te verwerven, die hiervoor is genoemd, is de toewijzing uit de nationale reserve krachtens artikel 30 van Verordening 1307/2013. Artikel 30, zesde lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt dat de lidstaten hun nationale reserves gebruiken om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers. Onder jonge landbouwers wordt ingevolge het elfde lid van dat artikel verstaan: landbouwers in de zin van artikel 50, tweede lid, van Verordening 1307/2013. Daarin is bepaald dat een jonge landbouwer niet ouder is dan veertig jaar in het jaar van indiening van de Gecombineerde opgave. In de Gecombineerde opgave is toewijzing van betalingsrechten uit de nationale reserve voor jonge landbouwers aangevraagd. Niet in geschil is dat [naam 2] die namens de erven de Gecombineerde opgave heeft gedaan, niet voldoet aan de leeftijdseis. Zoals ter zitting is besproken, wordt dan ook niet betwist dat de afwijzing door verweerder rechtmatig was.
5. Ter zitting is besproken dat ook aan anderen dan jonge landbouwers betalingsrechten kunnen worden toegewezen uit de nationale reserve. In artikel 2.9, tweede lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling is namelijk de mogelijkheid opgenomen van toewijzing uit de nationale reserve aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013. Ingevolge aanhef en onder a van deze laatste bepaling kunnen, voor zover hier van belang, voor de toepassing van de financiering, het beheer en de monitoring van het GLB, 'overmacht' en 'uitzonderlijke omstandigheden' met name erkend worden in het geval de begunstigde is overleden. De Gecombineerde opgave 2017 voorzag niet in de mogelijkheid om toewijzing van betalingsrechten om deze reden aan te vragen. Desgevraagd heeft verweerder na de zitting schriftelijk zijn standpunt hierover bij het College ingediend. Verweerder heeft daarin naar voren gebracht dat volgens hem niet kan worden gesproken van een situatie die 'ondanks alle mogelijke voorzorgen' niet vermeden had kunnen worden, daarbij verwijzend naar de overwegingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, ECLI:EU:C:2002:440. In dat kader heeft verweerder erop gewezen dat het tijdsverloop tussen het overlijden van vader [naam 1] en de uiterste datum voor indienen van de Gecombineerde opgave 2015 waarin om toewijzing van betalingsrechten kon worden gevraagd, voldoende was geweest om een gemachtigde in te schakelen om die Gecombineerde opgave in te dienen. Het College is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een situatie waarin het niet aanvragen van betalingsrechten niet vermeden had kunnen worden. Van overmacht was dus geen sprake en verweerder hoefde naar het oordeel van het College ook op die grond niet alsnog betalingsrechten toe te wijzen.
6. Nu evenmin sprake is geweest van overdracht van betalingsrechten, moet worden vastgesteld dat appellanten niet beschikten over betalingsrechten. Verweerder heeft dan ook de aanvraag om uitbetaling van betalingsrechten terecht afgewezen.
7. Appellanten hebben ook betoogd dat verweerder hen ten onrechte niet over het bezwaar heeft gehoord. In artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een bestuursorgaan voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Het College stelt vast dat appellanten telefonisch aan een medewerker van verweerder een toelichting hebben gegeven op het bezwaarschrift. Zij hebben blijkens het verslag van het gesprek aangegeven op dat moment voldoende toelichting te hebben gegeven op het bezwaar. Verweerder mocht daarom er vanuit gaan dat niet ook nog een hoorzitting nodig was. Dat appellanten meenden dat zij nog in de gelegenheid zouden worden gesteld om over de eerste conclusies van verweerder te worden gehoord, maakt dit niet anders. Verweerder mocht daarom een hoorzitting achterwege laten.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.

w.g. T. Pavićević w.g. M.B.L. van der Weele