Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:8

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-01-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:8, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/955


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: drs. I.M. Dijkstra-Pierik AA),
(gemachtigde: mr. L. Anvelink).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellantde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 17/9555111

en

ECLI:NL:CBB:2019:8:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: drs. I.M. Dijkstra-Pierik AA),
(gemachtigde: mr. L. Anvelink).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellantde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 17/9555111
en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder registratie geweigerd van de overdracht van betalingsrechten.

Bij besluit van 22 februari 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van appellant om uitbetaling van betalingsrechten (basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Bij beslissing van 25 juli 2018 heeft het College het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nader schriftelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de indieningstermijn van nadere bewijsstukken. Bij brief van 10 augustus 2018 heeft verweerder zijn nadere reactie overgelegd.

Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht op een nadere zitting te worden gehoord, binnen de daartoe door het College gestelde termijn van twee weken, verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht. Daarop heeft het College bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het College het onderzoek gesloten.
Overwegingen

1.1.
Appellant heeft op 25 april 2016 een Gecombineerde opgave voor het jaar 2016 bij verweerder ingediend waarin hij om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling heeft verzocht. Tevens heeft appellant op 25 april 2016 een melding “overdragen betalingsrechten” bij verweerder gedaan, waarin appellant is vermeld als de partij aan wie de betalingsrechten worden overgedragen.
1.2.
Bij primair besluit 1 heeft verweerder de overdracht van betalingsrechten niet verwerkt omdat appellant niet als actieve landbouwer kan worden aangemerkt.
1.3.
Bij primair besluit 2 heeft verweerder de aanvraag om uitbetaling afgewezen omdat appellant niet als actieve landbouwer kan worden aangemerkt.
1.4.
Niet in geschil is dat appellant op 15 mei 2016 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) was ingeschreven met de achtereenvolgende activiteiten met bijbehorende SBI-codes: 4120 – Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw0113 – Teelt van groenten en wortel- en knolgewassen.
2. Verweerder heeft de melding “overdragen betalingsrechten” van appellant niet verwerkt en de aanvraag van appellant om uitbetaling van de basis- en de vergroeningsbetaling voor het jaar 2016 afgewezen, op de grond dat appellant niet wordt aangemerkt als een actieve landbouwer in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013). In het bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat de eis van actief landbouwer verder is ingevuld met de verplichting om uiterlijk op 15 mei 2016 in het Handelsregister van de KvK ingeschreven te staan met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit. Appellant was op 15 mei 2016 niet met een hoofdactiviteit landbouw in het Handelsregister van de KvK ingeschreven. Appellant heeft evenmin tijdig met een accountantsverklaring aangetoond dat landbouwactiviteiten een belangrijk deel van zijn totale economische activiteiten uitmaken, in welk geval hij voor rechtstreekse betalingen in aanmerking had kunnen komen, aldus verweerder.
3. In beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ten onrechte niet als een actieve landbouwer is aangemerkt. De accountant heeft namens appellant de Gecombineerde opgave voor het jaar 2016 ingediend. De accountant heeft daarbij de registratie in het Handelsregister van de KvK niet op juistheid gecontroleerd omdat appellant al jaren de aspergeteelt als hoofdactiviteit heeft en de activiteiten in het klusbedrijf slechts nevenwerkzaamheden betreffen. De brief van 11 november 2016 waarin appellant in de gelegenheid is gesteld zijn inschrijving in het Handelsregister van de KvK aan te passen dan wel een accountantsverklaring in te dienen, is alleen naar appellant verzonden en niet naar de accountant. Appellant heeft de consequentie van deze brief niet juist geïnterpreteerd. Toen de afwijzing kwam, heeft appellant alsnog de accountantsverklaring ingediend. De onjuiste inschrijving in het Handelsregister van de KvK doet niet af aan de feitelijke situatie. Appellant voldoet aan de voorwaarden van het actief landbouwer zijn, aldus appellant.
4. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt als volgt toegelicht. Met de Uitvoeringsregeling heeft verweerder uitvoering gegeven aan het bepaalde in de artikelen 9, derde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1307/2013 en 13, derde lid, eerste alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014). Op grond van artikel 2.3, derde lid, respectievelijk vierde lid, van de Uitvoeringsregeling worden er geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet op 15 mei 2016 in het Handelsregister van de KvK staan ingeschreven met een hoofdactiviteit landbouw. Als in het Handelsregister van de KvK niet een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit van de onderneming geregistreerd staat, kan de ondernemer als een actieve landbouwer worden aangemerkt op basis van een accountantsverklaring. In zijn brief van 10 augustus 2018 heeft verweerder toegelicht dat de accountantsverklaring een bewijsstuk is dat nodig is om te bepalen of aanspraak op steun gemaakt kan worden en dat de accountantsverklaring om die reden deel uitmaakt van de verzamelaanvraag. Voor het indienen van de accountantsverklaring geldt, net als voor het indienen van de verzamelaanvraag, een fatale termijn, te weten voor het jaar 2016, uiterlijk 13 juni 2016. Een accountantsverklaring die na deze datum is ingediend, kan door verweerder niet meer worden meegenomen in zijn beoordeling van de verzamelaanvraag. In het onderhavige geval heeft appellant de accountantsverklaring te laat ingediend, aldus verweerder.
5. Het College zal om proceseconomische redenen de beroepsgrond gericht tegen het bezwaar van verweerder tegen de overdracht van betalingsrechten op 25 april 2016 als eerste bespreken.
6.1
Om aan het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling te voldoen, dient een landbouwer op de uiterste datum voor het indienen van de verzamelaanvraag met een landbouwactiviteit als eerstgenoemde en daarmee als hoofdactiviteit van de onderneming geregistreerd te zijn in het Handelsregister van de KvK. Eén en ander sluit aan bij het bepaalde in artikel 13 van Verordening 639/2014, waarvan het derde lid, ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van Verordening 1307/2013, onder meer bepaalt dat een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon wordt aangemerkt, indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat. Verweerder heeft appellant bij brief van 11 november 2016 betreffende “Insturen accountantsverklaring bij overdracht betalingsrechten” erop gewezen dat hij volgens de gegevens van verweerder met een landbouwactiviteit als nevenactiviteit in het Handelsregister van de KvK geregistreerd staat en dat zijn hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is. Verweerder heeft appellant in de gelegenheid gesteld uiterlijk 25 november 2016 een accountantsverklaring aan hem te overleggen dan wel zijn inschrijving in het Handelsregister alsnog vóór 25 november 2016 aan te passen.
6.2
Appellant heeft tijdens de bezwaarprocedure een accountantsverklaring ingediend die op 16 januari 2017 door verweerder is ontvangen. Verweerder heeft vervolgens zowel voor de beoordeling of de overdracht van betalingsrechten wordt verwerkt, als voor de beoordeling of appellant betalingsrechten kan activeren de accountantsverklaring als tardief, want ingediend na het verstrijken van de fatale termijn voor het indienen van bewijsstukken ten aanzien van het zijn van actieve landbouwer, buiten beschouwing gelaten.

6.3
Met betrekking tot de melding “overdragen betalingsrechten” heeft verweerder zich in zijn brief van 10 augustus 2018 op het standpunt gesteld dat uit artikel 8 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 641/2014) voortvloeit dat betalingsrechten gedurende het gehele subsidiejaar kunnen worden overgedragen en een melding “overdragen betalingsrechten” derhalve het gehele subsidiejaar bij verweerder kan worden gedaan. Verweerder kan de ontvanger van de betalingsrechten, zo nodig, in de gelegenheid stellen aan te tonen dat hij ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst tot overdracht van betalingsrechten als een actieve landbouwer in de zin van artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling kon worden aangemerkt. Indien de ontvanger daarin slaagt, verwerkt verweerder de desbetreffende melding. Het feit dat verweerder de overdracht van betalingsrechten verwerkt, betekent volgens verweerder niet dat de uitbetaling van betalingsrechten die is aangevraagd met de verzamelaanvraag voor het jaar 2016 ook voor dat jaar plaatsvindt aan de desbetreffende ontvanger, nu dit afhangt van de vraag of deze op de peildatum 15 mei 2016 kan worden aangemerkt als een actieve landbouwer. Daarvoor is vereist dat bedoelde ontvanger de benodigde bewijsstukken heeft overgelegd voor de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag, aldus verweerder.
6.4
Naar het oordeel van het College heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom hij ondanks de indiening hangende bezwaar van een accountantsverklaring door appellant zijn bezwaar tegen de overdracht van betalingsrechten aan appellant handhaaft. Zoals verweerder zelf opmerkt (zie onder 6.3 hiervoor), kan een melding “overdragen betalingsrechten” het gehele jaar bij verweerder worden gedaan zonder dat daarbij nadere bewijsstukken worden verlangd. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte in zijn bezwaar tegen de overdracht betalingsrechten volhard zonder de door appellant in de bezwaarfase ingediende accountantsverklaring te beoordelen. Verweerder zal deze accountantsverklaring alsnog dienen te beoordelen en vervolgens dienen te beslissen of hij zijn bezwaar tegen de overdracht handhaaft. Het voorgaande brengt mee dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of appellant op het moment van het sluiten van de overeenkomst houdende de overdracht van betalingsrechten op 25 april 2016 als actieve landbouwer kon worden aangemerkt. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering.
6.5
Met betrekking tot de vraag of appellant in aanmerking komt voor uitbetaling van de door hem in zijn Gecombineerde opgave 2016 opgegeven betalingsrechten, overweegt het College als volgt. Indien verweerder na beoordeling van de door appellant ingediende accountantsverklaring concludeert dat appellant voor het subsidiejaar 2016 kan worden aangemerkt als actieve landbouwer, zodat verweerder zijn bezwaar tegen de overdracht niet langer handhaaft, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom appellant in het kader van de aanvraag om uitbetaling van betalingsrechten op 15 mei 2016 niet als een actieve landbouwer zou kunnen worden beschouwd. Het bestreden besluit is ook op dit onderdeel niet deugdelijk gemotiveerd.
7. Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal opnieuw op de bezwaren van appellant moeten beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
8. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing

- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe besluit te nemen op de bezwaren van appellant met inachtneming van deze uitspraak;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan appellant te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.002,-.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.
w.g. J.A.M. van den Berk w.g. C.S. de Waal

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;