Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:561

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-11-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:561, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 19/688


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. P. Ouwerkerk),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] , appellantede staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder(gemachtigde: mr. M. Wullink).

zaaknummer: 19/688

en

ECLI:NL:CBB:2019:561:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. P. Ouwerkerk),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen [naam] B.V., te [plaats] , appellantede staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, verweerder(gemachtigde: mr. M. Wullink).
zaaknummer: 19/688

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit) heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat afwijzend beslist op het verzoek van appellante om herziening van het besluit van de minister van Economische Zaken van 19 juli 2017, waarbij een correctie is toegepast op de aan appellante afgegeven S&O-verklaringen voor de periode januari tot en met april, mei tot en met augustus en september tot en met december 2016 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (Wva) en een boete van € 300,- is opgelegd.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Bij besluiten van 6 juni 2016, 21 oktober 2016 en 9 november 2016 heeft de minister van (destijds) Economische Zaken aan appellante S&O-verklaringen afgegeven voor het project “Rain” op grond van de Wva voor de periode januari tot en met april, mei tot en met augustus en september tot en met december 2016. Het totale bedrag aan S&O-afdrachtvermindering is vastgesteld op € 156.416,-.

1.2
Bij besluit van 19 juli 2017 heeft deze minister de aan appellante afgegeven S&O verklaringen over 2016 gecorrigeerd en het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering voor het jaar 2016 vastgesteld op nihil, omdat de gerealiseerde uren per afgegeven S&O verklaring in strijd met artikel 24, eerste lid, van de Wva niet vóór 31 maart 2017 elektronisch zijn medegedeeld. De minister heeft appellante in verband met deze correctie een boete als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Wva opgelegd. Gelet op de omstandigheid dat de minister appellante in de voorafgaande vijf jaar niet eerder een bestuurlijke boete heeft opgelegd voor het niet (tijdig) doen van de mededeling, is het bedrag van de boete vastgesteld op € 300,-.

1.3
De (alsnog) door appellante op 27 oktober 2017 gedane mededeling heeft – de rechtsvoorganger van verweerder – de minister van Economische Zaken en Klimaat aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van de minister van Economische Zaken van 19 juli 2017. De minister van Economische Zaken en Klimaat heeft dit verzoek bij het primaire besluit afgewezen, omdat geen sprake is van een kennelijke misslag en appellante aan haar verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gronden van bezwaar niet tijdig zijn ingediend en volgens verweerder niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3 Het College overweegt als volgt.
3.1
In artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft op grond van artikel 6:11 van de Awb een niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.2
Het primaire besluit is gedateerd 23 november 2017. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is zes weken. Vast staat dat het bezwaarschrift van appellante van 30 november 2018 gericht tegen het primaire besluit na afloop van de bezwaartermijn is ingediend.
3.3
Verweerder heeft appellante bij brief van 22 februari 2019 verzocht kenbaar te maken wat de reden van de te late indiening van het bezwaarschrift is. Appellante heeft bij brief van 18 maart 2019 daarop gereageerd en daarin onder meer gesteld (en in beroep aangevoerd) dat de brieven van 12 april en 17 mei 2017, waarin appellante alsnog in de gelegenheid is gesteld om de mededeling binnen de daarin gestelde termijn(en) door te geven, en het daarop volgende besluit van de minister van Economische Zaken van 19 juli 2017 ten onrechte zijn verzonden naar de contactpersoon die de (laatste) S&O-aanvraag heeft gedaan, en niet naar haar wettelijk vertegenwoordiger die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat ingeschreven. Deze contactpersoon is langdurig ziek geweest en vanwege tekortkomingen in het collegiale overleg dan wel de wijze van organiseren binnen het bedrijf, zijn deze van verweerder afkomstige brieven niet door zijn collega’s geopend. Om die reden heeft de wettelijk vertegenwoordiger nimmer kennis kunnen nemen van een mogelijke intrekking van het toegekende bedrag aan S&O-afdrachtvermindering en kon hij als gevolg daarvan niet tijdig rechtsmiddelen instellen tegen het eerdergenoemde besluit van 19 juli 2017.
3.4
Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De door appellante aangevoerde redenen kunnen niet worden aangemerkt als (verschoonbare) redenen waarom zij het bezwaarschrift gericht tegen het primaire besluit, waarbij het door verweerder aangemerkte verzoek om herziening van het besluit van de minister van Economische Zaken van 19 juli 2019 is afgewezen, niet tijdig heeft kunnen (laten) indienen. De redenen zien met name op hetgeen vooraf is gegaan aan het – in deze procedure niet aan de orde zijnde – besluit van 19 juli 2019.
3.5
Dit betekent dat verweerder het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4 Het beroep is ongegrond.
5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.

w.g. B. Bastein w.g. C.E.C.M. van Roosmalen