Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:553

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 01-11-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 05-11-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:553, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/454


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummers 18/454

en

ECLI:NL:CBB:2019:553:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. M.T. Hoen),
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummers 18/454

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 heeft verweerder appellanten een last onder bestuursdwang opgelegd.

Bij besluit van 7 november 2017 (het kostenbesluit) heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving vastgesteld en bij appellanten in rekening gebracht.

Bij besluit van 26 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2019. De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met het beroep van [naam 1] en [naam 2] (18/591).

[naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Op 19 januari 2017 heeft een toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), bijgestaan door een agent van de (dieren)politie, een controle uitgevoerd bij de woning van appellanten, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het toezichtrapport van 25 januari 2017 met nummer: LID/B/20-01-2017/11:30/CdJ. Naar aanleiding van de bevindingen heeft de toezichthouder appellanten opgedragen om vóór 20 januari 2017, 16:00 uur een aantal maatregelen te nemen ter beëindiging van overtreding van de Wet dieren. Op 20 januari heeft een toezichthouder van de LID bij de woning van appellanten een hercontrole uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in het Aanvullend rapport hercontrole Wet dieren (Aanvullend rapport). Uit het Aanvullend rapport is gebleken dat de toezichthouder van de LID op 20 januari 2017, omstreeks 14:40 uur, had geconstateerd dat appellanten niet aan de opgelegde maatregelen hadden voldaan.
1.3
Bij besluit van 20 januari 2017 heeft verweerder appellanten een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. De last was gericht op het beëindigen van de overtreding en hield in dat appellanten binnen 1 uur na uitreiking van de last de volgende maatregelen dienden te nemen:
“1. Consulteer een dierenarts over de verwonding aan de poot van uw cyperse kat. Voer het behandelplan, opgesteld door de dierenarts, uit. 2. Zorg dat de huisvesting van uw dieren geschikt zijn voor het soort dier, zodat de hierin gehuisveste dieren op de juiste wijze gehouden kunnen worden en aan hun soort specifieke behoefte wordt voldaan. 3. Zorg voor de katten die u buiten heeft gehuisvest dat zij voldoende bescherming hebben tegen nadelige weersinvloeden en kou.”
1.4
Tijdens een hercontrole op 20 januari 2017 is vastgesteld dat appellanten niet alle bij de last onder dwangsom opgelegde maatregelen hadden uitgevoerd. Om een einde te maken aan de geconstateerde overtredingen heeft verweerder vier katten van appellanten meegenomen en opgeslagen.
1.5
Bij brief van 24 januari 2017 heeft verweerder appellanten geïnformeerd over de voorwaarden voor teruggave van de katten.
1.6
Met het kostenbesluit van 7 november 2017 heeft verweerder de kosten van bestuursrechtelijke handhaving vastgesteld en bij appellanten in rekening gebracht tot een bedrag van € 2.276,70. Deze kosten zijn gemaakt voor het ergens anders onderbrengen en het verbeteren van de gezondheid van vier katten van appellanten. Appellanten hebben tegen het kostenbesluit bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het kostenbesluit gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 7 november 2017 gedeeltelijk herroepen. Verweerder heeft het totale bedrag aan te verhalen kosten teruggebracht naar € 2.247,21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts in geschil is of de kosten voor het toepassen van bestuursdwang, zoals die staan vermeld in het kostenbesluit, terecht op appellanten zijn verhaald. In dat kader heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 5:25, eerste lid, van de Awb, overwogen dat de opvangkosten, dierenartskosten en vervoerskosten in redelijkheid bij appellanten in rekening konden worden gebracht.

3.1
In beroep voeren appellanten allereerst aan dat sprake is van een prematuur besluit. Volgens appellanten is verweerder ten onrechte tot kostenverhaal overgegaan nu de rechtmatigheid van het handhavingsbesluit niet vaststond. Verweerder had zich ervan moeten vergewissen of appellanten daadwerkelijk een overtreding hadden begaan.
3.2
Over het betoog van appellanten dat sprake is van een prematuur besluit merkt verweerder op dat appellanten niet tijdig in bezwaar zijn gegaan tegen het besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Daarmee staat dat besluit in rechte vast en was verweerder bevoegd de met de uitvoering van dat besluit gemoeide kosten op appellanten te verhalen.
4.1
Het College overweegt allereerst dat geen rechtsregel voorschrijft dat een bestuursorgaan pas tot vaststelling van een besluit tot kostenverhaal mag overgaan, indien de daaraan ten grondslag liggende last onder bestuursdwang rechtens onaantastbaar is. Voor zover appellanten anders betogen, faalt dit betoog.
4.2
Zoals het College in zijn uitspraak van heden in de zaak 18/591 heeft geoordeeld, heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen de bij besluit van 20 januari 2017 opgelegde last onder bestuursdwang terecht wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee staat de rechtmatigheid van de last in rechte vast. Dit betekent dat het College als uitgangspunt neemt dat de last onder bestuursdwang terecht is opgelegd en dat appellanten de in dat besluit en in het toezichtrapport van 25 januari 2017 genoemde overtredingen hebben begaan.
4.3
Het is vaste jurisprudentie dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dat kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Uit hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht blijkt niet dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk geval.
5. Appellanten voeren als beroepsgrond verder aan dat de door verweerder gemaakte kosten ten behoeve van de toepassing van de bestuursdwang niet redelijk zijn. Volgens appellanten zouden de door verweerder gemaakte kosten niet dermate hoog zijn opgelopen indien hij zorgvuldiger te werk zou zijn gegaan. In dat kader voeren appellanten aan dat uit het rapport van de dierenarts is gebleken dat drie van de vier meegevoerde katten gezond waren. Appellanten menen dat de opvangkosten en dierenartskosten die zijn gemaakt ten aanzien van de drie gezonde katten onredelijk zijn. Medisch ingrijpen bleek immers maar bij één kat noodzakelijk. Tot slot betogen appellanten dat de opvangperiode onredelijk lang was. Te meer nu verweerder heeft toegegeven dat medische ingrepen zijn verricht die achteraf niet noodzakelijk bleken te zijn.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 5:25 van de Awb toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder tenzij deze redelijkerwijs of niet geheel voor zijn rekening behoren te komen. Verweerder is van mening dat de kosten – zoals (her)berekend in het bestreden besluit – redelijk zijn en op appellanten kunnen worden verhaald. Verweerder benadrukt dat het elders onder brengen van de katten geen verband hield met medisch ingrijpen, maar diende om appellanten de mogelijkheid te bieden te voorzien in een geschikte huisvesting. Aangezien appellanten niet hadden voldaan aan de voorwaarden genoemd in de brief van 24 januari 2017 was een terugkeer van de katten uitgesloten. Met betrekking tot de dierenartskosten overweegt verweerder dat verzorging van de kat met een gewonde poot medisch noodzakelijk was. De overige gemaakte – niet noodzakelijke – medische kosten zijn niet aan appellanten doorberekend.
7.1
Aan de orde is de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de met de bestuursdwang gemoeide kosten bij appellanten in rekening te brengen.
7.2
Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Awb, geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
7.3
Het College overweegt dat verweerder na de hercontrole op 20 januari 2017 bestuursdwang heeft toegepast door het meevoeren en elders onderbrengen van vier katten. Met het kostenbesluit, zoals gewijzigd bij het bestreden besluit, is daarvoor een bedrag van € 2.247,21 vastgesteld en bij appellanten in rekening gebracht. Blijkens de bij het kostenbesluit gevoegde overzichten zijn deze kosten gemaakt ten behoeve van het vervoer en verblijf van de katten en behandeling van de katten door een dierenarts. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat de kosten van het enten van de katten, de castratie van de katten en het chippen van de katten niet bij appellanten in rekening zijn gebracht. Die kosten waren immers niet medisch noodzakelijk.
7.4
Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte kosten in rekening heeft gebracht voor de opvang van de meegevoerde dieren. Verweerder heeft in het primaire besluit opgenomen dat appellanten binnen een uur een aantal maatregelen dienden te nemen. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de bevindingen in het rapport van de hercontrole van 20 januari 2017 is vast komen te staan dat appellanten bovengenoemde maatregelen niet hadden genomen.Verweerder heeft bij brief van 24 februari 2017 nogmaals aan appellanten medegedeeld dat moet zijn voldaan aan de opgelegde te nemen maatregelen alvorens tot teruggave van de dieren kan worden overgegaan. Appellanten hebben de te nemen maatregelen nimmer genomen. Naar het oordeel van het College volgt reeds hieruit dat verweerder in redelijkheid de kosten van de opvang van de katten op appellanten heeft kunnen verhalen. De duur van de opvang is immers verbonden aan het niet voldoen aan de door appellanten te nemen maatregelen. Die duur (28 dagen, waarna de katten uiteindelijk zijn vervreemd) kan ook overigens niet als onredelijk lang worden aangemerkt. Dat drie van de vier katten – achteraf – gezond bleken te zijn maakt voorts niet dat de ten aanzien van die katten gemaakte dierenartskosten – voor zover betrekking hebbend op de controle van de gezondheid van de katten – niet in rekening hadden mogen worden gebracht. Het is met het oog op de verdere opvang niet onredelijk is om dieren die met toepassing van bestuursdwang zijn meegevoerd te laten onderzoeken door een dierenarts. Ook overigens is het College niet gebleken van bovenmatige kosten. Het College ziet verder geen grond voor het oordeel dat verweerder tot verdergaande matiging van de bij appellanten in rekening te brengen kosten had moeten besluiten. Voor zover appellanten hebben beoogd te stellen dat het door verweerder vastgestelde bedrag hun draagkracht te boven gaat, kunnen zij verzoeken om dit bedrag in termijnen te mogen betalen.
8. De beroepsgronden slagen niet.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. T. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.

w.g. W.C.E. Winfield w.g. T. Kuiper