Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:477

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-10-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:477, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1836


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),
(gemachtigden: mr. R. Kuiper en mr. M. Leegsma).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/1836

en

ECLI:NL:CBB:2019:477:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. J.T. Fuller),
(gemachtigden: mr. R. Kuiper en mr. M. Leegsma).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/1836

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld.

Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2019. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor appellante is tevens verschenen [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor verweerder is tevens verschenen [naam 4] .

overwegingen

Overwegingen

Relevante bepalingen

1.1
Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Het recht op eigendom is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Het verzekert het recht op het ongestoord genot van eigendom, maar tast op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.
2. Appellante heeft een agrarisch bedrijf. Zij wilde uitbreiden en heeft met het oog hierop besloten tot de bouw van een nieuwe ligboxenstal. Er is een vergunning verleend op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-vergunning) op 9 augustus 2013 voor 80 melkkoeien in de nieuwe ligboxenstal, 37 melkkoeien in de oude ligboxenstal en in totaal 79 stuks jongvee verdeeld over diverse onderkomens. Voor de nieuwe stal is op 17 november 2014 een omgevingsvergunning bouw verkregen en op 30 december 2014 een aanneemovereenkomst gesloten. De stal is in september 2015 gereedgekomen. Op 2 juli 2015 waren op het bedrijf aanwezig 67 melkkoeien en 48 stuks jongvee.
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 3.128 kg. Voor wat betreft de dieraantallen is verweerder uitgegaan van de aantallen die op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig waren. Verweerder heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft aangevoerd en ter zitting nader toegelicht dat het fosfaatrechtenstelsel een schending van artikel 1 van het EP oplevert, omdat er in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Appellante heeft haar bedrijf uitgebreid en is daartoe onomkeerbare verplichtingen aangegaan. De uitbreiding was nodig in verband met de toestand van de oude stal en de bedrijfsovername door de zoon ( [naam 1] ) en zijn echtgenote in januari 2017. Voorheen werd het bedrijf gedreven door [naam 1] te samen met zijn ouders. Op 2 juli 2015 was appellante nog aan het bouwen en als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel was het voor haar niet mogelijk het vergunde aantal dieren te gaan houden. De investeringen kunnen niet worden terugverdiend. Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling dat de continuering van het bedrijf onder de werking van het fosfaatrechtenstelsel niet realistisch is, een rapportage overgelegd van [naam 5] ( [naam 5] ) van september 2018. In de situatie van exploitatie met uitsluitend de toegekende fosfaatrechten is sprake van een jaarlijks terugkerend liquiditeitstekort. Ten slotte heeft appellante nog aangevoerd dat [naam 1] vanwege zijn rugklachten flexibiliteit ter zake zijn arbeidsinzet behoeft. Deze is niet mogelijk in een betrekking in loondienst.
5. Verweerder acht het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd met het in artikel 1 van het EP neergelegde recht op eigendom. Hij heeft de achtergrond van het fosfaatrechtenstelsel uiteengezet en gewezen op de uitspraken van het College die hierover al zijn gedaan. Voorts betwist verweerder, eveneens onder verwijzing naar jurisprudentie van het College, dat op appellante een individuele en buitensporige last rust. Appellante heeft fors uitgebreid en toont de noodzaak daarvan niet aan. Voorts plaatst verweerder enkele kanttekeningen bij het rapport van [naam 5] .
Feiten

Besluiten van verweerder

De beroepsgronden

Het standpunt van verweerder

Beoordeling

6.1
Voor zover appellante ook betoogt dat het fosfaatrechtenstelsel op het niveau van de regeling strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt dit. Het College verwijst hiervoor naar zijn heropeningsbeslissing van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en uitspraken van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:1-7). Daarin heeft hij al geoordeeld dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau verenigbaar is met artikel 1 van het EP. In de uitspraak van 23 juli 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:291) heeft het College dit oordeel verder gemotiveerd.

6.2
Het College oordeelt dat sprake is van een fair balance op individueel niveau; een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) ontbreekt.
6.2.1
Bij de beoordeling of een last in het individuele geval van de betrokken melkveehouder buitensporig is moeten alle betrokken belangen van het individuele geval worden afgewogen. In dat verband is vooral relevant de mate waarin het fosfaatrechtenstelsel de individuele melkveehouder raakt. Niet ieder vermogensverlies als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel en het toegekende fosfaatrecht vormt een buitensporige last. Voor de situatie waarin sprake is van een uitbreiding van het bedrijf, zoals bij appellante, is verder van belang of en zo ja op welk moment, in welke mate en met welke noodzaak of andere motieven de melkveehouder haar bedrijf legaal heeft uitgebreid op grond van door de overheid verleende vergunningen voor het houden van specifieke aantallen melkvee en daartoe onomkeerbare investeringen is aangegaan (zie de uitspraak van 23 juli 2019, hiervoor aangehaald, r.o. 6.1).

6.2.2
Het College is van oordeel dat aan de rapportage van [naam 5] niet die betekenis kan worden gehecht die appellante er aan toekent. In het rapport wordt immers uitgegaan van een beoogde uitbreiding tot 135 melkkoeien. Dit uitgangspunt is evenwel niet terecht, nu appellante krachtens de verleende Nbw-vergunning niet meer dan 117 melkkoeien (en 79 stuks jongvee) mag houden. Het rapport biedt daarmee onvoldoende inzicht in de mate waarin appellante wordt getroffen door het fosfaatrechtenstelsel en in hoeverre sprake is van causaliteit tussen dit stelsel en de door appellante gestelde onzekerheid omtrent de voortgang van haar bedrijf.

6.2.3
Verder is van belang dat de beoogde uitbreiding van appellante fors is. Weliswaar ontbreken concrete gegevens over de aantallen dieren op het bedrijf vóór de uitbreidingsplannen, maar ook afgezet tegen de aantallen op de peildatum (67 melkkoeien en 48 stuks jongvee) gaat het om een aanzienlijke vermeerdering. Appellante had juist ten tijde van de uitbreidingbeslissingen een zekere mate van voorzichtigheid moeten betrachten (het College verwijst naar overweging 6.7.5.4 in de eerder genoemde uitspraak van 23 juli 2019) en zich moeten realiseren dat een dergelijke uitbreiding voor haar meer dan de gebruikelijke ondernemersrisico’s met zich zou brengen. Dit gold te meer voor het moment dat appellante de aanneemovereenkomst aanging, op 30 december 2014. Dat de stal oud was en aan vervanging toe, neemt dit niet weg. Hetgeen appellante heeft aangevoerd omtrent de rugklachten van [naam 1] maakt dit alles niet anders.

6.3
De conclusie is dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 1 van het EP.
Slotsom

7.1
Omdat het bestreden besluit pas in beroep is voorzien van een toereikende motivering is dit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet deugdelijk gemotiveerd. Het College ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien aannemelijk is dat appellante door dit gebrek niet is benadeeld. Met een deugdelijke motivering zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.
7.2
Gezien het geconstateerde gebrek ziet het College aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
beslissing

Beslissing
Het College:- verklaart het beroep ongegrond; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1024,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. E.D.H. Nanninga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2019.

w.g. I.M. Ludwig w.g. E.D.H. Nanninga