Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:398

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:398, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1516


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: Ir. S. Boonstra),
(gemachtigden: mrs. M. van der Zwaard, M.C. Sluimer en L.S. van Goor),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellantde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

zaaknummer: 17/1516

en

en

ECLI:NL:CBB:2019:398:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: Ir. S. Boonstra),
(gemachtigden: mrs. M. van der Zwaard, M.C. Sluimer en L.S. van Goor),
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2019 in de zaak tussen [naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellantde minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
zaaknummer: 17/1516

en

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de graasdierpremie voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (hierna: Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een aanvullend stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2019. Appellant is verschenen, vergezeld door [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Appellant heeft op 9 mei 2016 een Gecombineerde opgave 2016 bij verweerder ingediend en verzocht om de uitbetaling van de graasdierpremie.
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder het bedrag voor de uitbetaling van de graasdierpremie vastgesteld op € 1.648,56 netto (€ 1.688,73 bruto).
1.3
Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit bedrag gehandhaafd en daartoe verwezen naar artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling waarin is bepaald dat bij de graasdierpremie rekening wordt gehouden met de op het bedrijf aanwezige oppervlakte aan subsidiabel grasland. Verweerder heeft op het bedrijf van appellant 22,95 ha grasland geconstateerd. Op de 338,19 in aanmerking te nemen schapen heeft verweerder op grond van artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling 267,83 schapen (22,95 hectare grasland vermenigvuldig met 11,67 schapen per hectare grasland) in mindering gebracht. Dit leidt tot een bruto toegekend bedrag aan graasdierpremie van € 1.688,73 (70,36 schapen maal € 24,-).
2. Appellant kan zich niet verenigen met de door verweerder vastgestelde oppervlakte subsidiabel grasland van 22,95 hectaren (ha) als onderdeel van de berekening van de graasdierpremie 2016. De gewaspercelen 11 en 92 tot en met 96 zijn ten onrechte aangemerkt als subsidiabele ha grasland en in mindering gebracht op de hoogte van de graasdierpremie. Volgens appellant dient verweerder conform de beslissing op bezwaar van 14 oktober 2016 inzake de vaststelling van de betalingsrechten 2015 uit te gaan van 16,84 subsidiabele ha grasland. Het komt appellant vreemd voor dat in het jaar 2015 geen betalingsrechten zijn vastgesteld en toegekend op onderhavige gewaspercelen, maar deze percelen wel als grasland meetellen voor de uitbetaling van de graasdierpremie voor het jaar 2016. In het bestreden besluit wordt slechts gesteld dat appellant beschikt over 22,95 ha grasland zonder inhoudelijk op dit al in bezwaar aangevoerde punt in te gaan. Het bestreden besluit geeft dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en ontbeert tevens een deugdelijke en zorgvuldige motivering als bedoeld in de artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft tot slot verzocht om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle tot het bedrijf van appellant behorende hectaren grasland terecht in aanmerking zijn genomen voor de bepaling van de hoogte van de graasdierpremie. Daartoe voert verweerder - samengevat weergegeven - aan dat de Nederlandse wetgever een weloverwogen keus heeft gemaakt om gekoppelde steun in de vorm van de graasdierpremie (zoals is voorgeschreven in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1307/2013) te bieden aan een sector die om economische, sociale of ecologische redenen van groot belang is en bepaalde problemen ondervindt. Zoals de Nederlandse wetgever duidelijk heeft overwogen in de toelichting bij de Uitvoeringsregeling is de graasdierpremie bedoeld voor areaal dat hoofdzakelijk voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt maar waar in het kader van milieubeheer toch agrarisch activiteiten plaatsvinden, zoals begrazing door schapen of runderen. De graasdierpremie is derhalve bedoeld om de begrazing van deze specifieke gronden toch rendabel te maken. Wegens deze bedoeling wordt ten aanzien van landbouwers, die grasland ter beschikking hebben, het aantal dieren dat voor de steun in aanmerking komt verminderd met een aantal dieren per hectare grasland. Artikel 2.24, derde lid, van de Uitvoeringsregeling spreekt dan ook terecht van het aantal tot het bedrijf behorende hectaren grasland. Het feit dat appellant gronden in beheer heeft die als subsidiabel grasland kunnen worden aangemerkt, maar die appellant niet kan laten uitbetalen omdat zij over onvoldoende betalingsrechten beschikt, maakt niet dat dit gronden betreffen die hoofdzakelijk voor niet-landbouwactiviteiten worden gebruikt, maar waar in het kader van natuurbeheer toch agrarische activiteiten plaatsvinden.
4.1
In geschil is of verweerder naar aanleiding van de geconstateerde oppervlakte subsidiabel grasland van 22,95 ha terecht een graslandcorrectie heeft toegepast.
4.2
Artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling bepaalt, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:
“1 De steun bedraagt (…) € 24 per schaap, dat op het bedrijf is gehouden in de periode van 1 januari tot en met 15 oktober van het jaar van de steunaanvraag, en dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.22, respectievelijk artikel 2.23.

2 Het aantal op het bedrijf gehouden dieren, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als A gedeeld door B waarbij A staat voor de som van het aantal dagen dat (…) de schapen, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.22 respectievelijk 2.23, en B het getal 288 is.

3 De uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, wordt verminderd met de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal tot het bedrijf behorende hectaren grasland, met:

a. 11,67, voor wat betreft het aantal gehouden schapen, of

(…).

4 De vermindering, bedoeld in het derde lid, geschiedt als eerste ten aanzien van het aantal gehouden schapen. Zodra de uitkomst van de berekening, bedoeld in het derde lid, nihil is, wordt de vermindering, bedoeld in dat lid, voor het resterende aantal hectaren grasland toegepast op het aantal gehouden runderen.

5 In zoverre in afwijking van het tweede lid is voor steunaanvragen ingediend in 2016 B het getal 289.”

4.3
In de toelichting op de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 2014 nr. 36127, 16 december 2014, blz. 29) staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“7. Vrijwillig gekoppelde steun voor graasdierhouderij runderen en schapen

Op bepaald areaal dat hoofdzakelijk voor niet landbouwactiviteiten wordt benut en derhalve niet aangemerkt wordt als subsidiabel areaal, zoals met name natuurgebied met heide, vinden in bepaalde gevallen in het kader van het natuurbeheer agrarische activiteiten plaats, zoals begrazing door schapen of runderen. Omdat deze grond minder voedingswaarde heeft en ook niet voor subsidie in aanmerking komt, is deze begrazing onrendabel. De betaling is primair bedoeld voor het in stand houden van sectoren die maatschappelijk gewenste taken uitvoeren en zonder deze steun niet meer rendabel zijn. Voor deze dieren is € 3.5 miljoen beschikbaar (€ 2.4 miljoen voor runderen en € 1.1 miljoen voor schapen). De betaling per subsidiabel rund is € 160 en per subsidiabel schaap € 24.(…)
Omdat de gekoppelde steun betrekking heeft op dieren die grazen op niet subsidiabele grond, vindt er een correctie plaats voor het grasland dat bij het bedrijf van de aanvrager in gebruik is. Het betreft zowel permanent, tijdelijk als natuurlijk grasland, (onderstreping College). Bij deze correctie worden eerst de schapen aan het eigen grasland toegerekend en vervolgens de vrouwelijke runderen, omdat op bedrijven met zowel schapen als runderen, de schapen vaker rondom het bedrijf grazen.”

4.4
Naar het oordeel van het College is verweerder bij de berekening van de graasdierpremie terecht uitgegaan van het aantal ha subsidiabel grasland dat bij het bedrijf van appellant behoort en niet van het aantal ha waarvoor betalingsrechten zijn toegekend en uitbetaald. Gelet op de tekst van artikel 2.24, derde lid, van de Uitvoeringsregeling en de toelichting daarop brengt een redelijke uitleg van het bepaalde daarin met zich dat in het geval een bedrijf subsidiabel grasland heeft een correctie moet plaatsvinden op het aantal dieren dat in aanmerking komt voor graasdierpremie, omdat de dieren ook op deze subsidiabele grond kunnen grazen en ten aanzien van dat areaal betalingsrechten kunnen worden toegekend. Daarbij is niet vereist dat voor de percelen ook betalingsrechten zijn toegekend. Dit betekent dat verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met het feit dat in het (onherroepelijk geworden) besluit van 14 oktober 2016 een kleinere oppervlakte van 16,84 ha grasland in aanmerking is genomen voor de uitbetaling van de basisbetaling.
4.5
Nu artikel 2.24 van de Uitvoeringsregeling rechtstreeks voortvloeit uit artikel 52, vierde lid, sub b van Verordening 1307/2013, was verweerder gehouden rekening te houden met de tot het bedrijf van appellant behorende ha grasland overeenkomstig de hiervoor daaraan gegeven uitleg, en is er geen ruimte voor een belangenafweging op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.
4.6
Voor zover appellant betoogt dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op hetgeen hij in bezwaar heeft aangevoerd met betrekking tot de in geding zijnde correctie, kan dat naar het oordeel van het College niet slagen. In het bestreden besluit is verweerder gemotiveerd ingegaan op het betoog van appellant dat de omvang van het oppervlakte grasland moet worden vastgesteld op 16,84 ha en verweerder heeft zich daarbij (terecht) op het standpunt gesteld dat voor de bepaling van de hoogte van de graasdierpremie niet is verreist dat de percelen zijn aangevraagd voor uitbetaling van de betalingsrechten. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd.
5. Het beroep is ongegrond.

6.1
Over het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het College het volgende.
6.2
Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. In dat geval geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.
6.3
Het bezwaarschrift is door verweerder op 30 mei 2017 ontvangen. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de tweejaartermijn met drie maanden overschreden. Van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.
6.4
Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Appellante heeft daarom recht op € 500,- schadevergoeding.
6.5
Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het bezwaar niet meer dan een half jaar in beslag genomen heeft, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,-.
6.6
Voorts zal het College overgaan tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde van € 512,- en een wegingsfactor 0,5) ten laste van de Staat.
beslissing

Beslissing

Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. W.C.E. Winfield en mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. A. El Markai, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2019.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. A. El Markai

-

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;

veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 256,-.