Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:350

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:350, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/317


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/317

en

ECLI:NL:CBB:2019:350:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
(gemachtigde: mr. M. Wullink).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/317

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om toewijzing van betalingsrechten op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (de Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 31 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellante om uitbetaling van die betalingsrechten (de basisbetaling) en de vergroeningsbetaling voor 2015 op grond van de Uitvoeringsregeling.

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit I gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit I herroepen en het aantal betalingsrechten opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 26 augustus 2016 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit II gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit II herroepen en de basisbetaling en de vergroeningsbetaling opnieuw vastgesteld.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I (zaaknummer 16/847) en tegen het bestreden besluit II (zaaknummer 16/848).

Het College heeft bij uitspraak van 2 november 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:416) de beroepen van appellante met zaaknummers 16/847 en 16/848 gegrond verklaard en de bestreden besluiten I en II vernietigd. Het College heeft hierbij verweerder opgedragen om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 8 januari 2018 (het herziene bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de primaire besluiten I en II gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het herziene bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is bij het College geregistreerd onder zaaknummer 18/317.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken van appellante onder zaaknummer 18/2672 en 19/12. Deze laatste twee zaken zijn vervolgens voor het doen van uitspraak weer gesplitst.

overwegingen

Overwegingen

1. Het geschil gaat over de vaststelling door verweerder van de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 van het landbouwbedrijf van appellante. Het perceel is in de Gecombineerde Opgave 2015, waarbij appellante de toewijzing van betalingsrechten en de uitbetaling heeft aangevraagd, door appellante opgegeven met een oppervlakte van 7,47 ha.

1.1
Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan appellante 77,76 betalingsrechten toegekend en voor perceel 10 een oppervlakte van 7,30 ha geconstateerd. Bij het primaire besluit II heeft verweerder de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van appellante voor het jaar 2015 vastgesteld op € 30.796,61.
1.2
Bij het bestreden besluit I heeft verweerder voor perceel 10 een oppervlakte van 7,45 ha goedgekeurd. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat in het midden van perceel 10 een ruime greppel aanwezig is die aan de oost- en westzijde dermate diep is dat deze greppel aan de oost- en westzijde niet kan worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013).
1.3
In de uitspraak van 2 november 2017 heeft het College wat betreft perceel 10 als volgt overwogen:
2. Bij het herziene bestreden besluit heeft verweerder uiteengezet dat weliswaar uit nader onderzoek is gebleken dat de greppel op perceel 10 de uitoefening van landbouwactiviteiten niet in de weg staat, maar dat de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 vanwege andere niet subsidiabele elementen ongewijzigd is vastgesteld op 7,45 ha. Conform het bestreden besluit I zijn de overige perceelgrenzen rondom perceel 10 namelijk op de overgang van water en land gelegd. Dit leidt tot een subsidiabele oppervlakte van 7,45 ha. Nu verweerder bij het herziene bestreden besluit aan appellante niet meer betalingsrechten heeft toegekend dan in het bestreden besluit I, heeft verweerder bij het herziene bestreden besluit opnieuw vastgesteld dat appellante over 2015 recht heeft op een basis- en vergroeningsbetaling van € 30.889,12.
3. Appellante kan zich niet vinden de door verweerder voor perceel 10 vastgestelde subsidiabele oppervlakte. Zij voert hiertoe aan dat de oppervlakte van de nu door verweerder subsidiabel geachte greppels nog meegenomen dient te worden binnen de oppervlakte van het gewasperceel 10 en dat dit zal moeten resulteren in een goedgekeurde oppervlakte die groter is dan de nu door verweerder goedgekeurde oppervlakte van 7,45 ha. Verweerder geeft immers in het herziene bestreden besluit zelf aan dat de overige perceelgrenzen rondom perceel 10 reeds in het bestreden besluit I juist zijn gepositioneerd. Het herziene bestreden besluit geeft dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging en ontbeert een deugdelijke en zorgvuldige motivering.
4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 bij het herziene bestreden besluit juist heeft vastgesteld.
“4.2 Wat betreft perceel 10 stelt het College vast dat appellante dit perceel bij de Gecombineerde opgave heeft opgegeven met een oppervlakte van 7,47 ha en dat verweerder bij de bestreden besluiten de oppervlakte van dit perceel heeft vastgesteld op 7,45 ha. In het bestreden besluit I heeft verweerder uiteengezet dat hij uit luchtfoto’s van dit perceel afleidt dat in het midden van dit perceel een ruime greppel aanwezig is. Hoewel een greppel, die door zijn minimale diepte en breedte de uitoefening van landbouwactiviteiten niet in de weg staat, doorgaans kan meetellen als subsidiabel landbouwareaal, is de greppel in dit geval volgens verweerder aan de oost- en westzijde van de greppel dermate diep dat deze niet kan worden aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal. Om die reden heeft verweerder de perceelgrens aan de oost- en westzijde van de greppel op de insteek van de greppel gelegd. Het middelste gedeelte heeft verweerder aangemerkt als subsidiabel landbouwareaal. In het verweerschrift heeft verweerder – ook ten aanzien van perceel 10 – erop gewezen dat in de bezwaarprocedure alle percelen opnieuw zijn beoordeeld, dat eventuele veranderingen in het veld zijn meegenomen en dat het verschil in de door appellante aangevraagde oppervlakte en de door verweerder vastgestelde maximaal subsidiabele oppervlakte van de referentiepercelen telkens minder dan 2% bedraagt. Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat sprake is van een duidelijke verandering in het veld op grond waarvan verweerder gehouden was het referentieperceel aan te passen. Appellante heeft aan de hand van foto’s erop gewezen dat de greppel niet zo diep is en dat daar ook vee weidt. Verweerder heeft dit in beroep niet gemotiveerd weersproken. De door appellante gepresenteerde en met stukken onderbouwde situatie lijkt aldus een andere te zijn dan waarvan verweerder is uitgegaan. Verweerder heeft in het licht van het door hem in het verweerschrift gestelde niet duidelijk gemaakt waarom dit niet moet worden aangemerkt als een duidelijke verandering in het veld op grond waarvan hij het referentieperceel dient aan te passen. De enkele omstandigheid dat de greppel er ook in voorgaande jaren al lag is daartoe op zich zelf genomen niet voldoende. Verweerder kan wat betreft perceel 10 in zoverre niet volstaan met een verwijzing naar de 2% marge, terwijl verweerder ook in de bestreden besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de greppel aan de oost- en westzijde niet subsidiabel heeft geacht.”

4.1
Zowel voor de vaststelling van het toe te wijzen aantal betalingsrechten als voor de vaststelling van de basisbetaling en de vergroeningsbetaling is van belang dat het – kort gezegd – moet gaan om subsidiabele hectares. Onder ‘subsidiabele hectare’ wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1307/2013). Onder ‘landbouwareaal’ wordt verstaan om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland, of voor blijvende teelten (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van Verordening 1307/2013).
4.2
Het College ziet geen aanleiding voor twijfel omtrent de juistheid van de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 door verweerder bij het herziene bestreden besluit en overweegt hiertoe als volgt. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nader uiteengezet op grond van welke niet-subsidiabele elementen verweerder de subsidiabele oppervlakte van perceel 10 ongewijzigd heeft vastgesteld op 7,45 ha. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de door hem overgelegde luchtfoto’s, waaruit hij heeft afgeleid dat appellante bij het doen van de Gecombineerde opgave aan de westzijde van perceel 10 de perceelgrens te ver van de overgang van water en land heeft gelegd en daarmee water en een gedeelte verruiging heeft ingetekend. Zoals het College eerder heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 17 januari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:11), kunnen water en ruigte niet worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. Hieraan heeft verweerder ter zitting aan de hand van de luchtfoto’s toegevoegd dat appellante bij de intekening van perceel 10 ook een tweetal uitritten aan de oostzijde van het perceel heeft meegenomen die niet kunnen worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond. In hetgeen appellante hiertegenover heeft gesteld ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte water, een verruigd gedeelte en de uitritten op perceel 10 als niet-subsidiabel heeft beoordeeld. Naar het oordeel van het College heeft verweerder door te wijzen op de omstandigheid dat het door appellante ingetekende water, het verruigde gedeelte en de uitritten niet kunnen worden aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond alsnog voldoende gemotiveerd waarom de totale geconstateerde subsidiabele oppervlakte van perceel 10 bij het herziene bestreden besluit ongewijzigd is vastgesteld ondanks het feit dat in het herziene bestreden besluit de greppel in perceel 10 in afwijking van het bestreden besluit I wel als subsidiabel is beoordeeld.
4.3
Het onder 4.2 overwogene brengt mee dat het herziene bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd (artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Nu de omvang van de in het herziene bestreden besluit geconstateerde oppervlakte niet is beïnvloed door het motiveringsgebrek en appellante ter zitting heeft kunnen reageren op de aanvulling van de motivering door verweerder, is appellante naar het oordeel van het College niet door het motiveringsgebrek benadeeld. Het College passeert dit motiveringsgebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
5. Het beroep is ongegrond. Gelet op het onder 4.3 genoemde gebrek in het herziene bestreden besluit zal verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Tot slot ziet het College, gelet op het onder 4.3 genoemde gebrek, aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht vergoedt.

beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.

w.g. H.L. van der Beek w.g. W.M.J.A. Duret