Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:348

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:348, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/139


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. A.A. Westers),
(gemachtigden: mr. R.A. van der Voort en mr. C. Cromheecke)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerderde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).

zaaknummer: 18/139

en

en

ECLI:NL:CBB:2019:348:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. A.A. Westers),
(gemachtigden: mr. R.A. van der Voort en mr. C. Cromheecke)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerderde Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid).
zaaknummer: 18/139

en

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2014 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) herberekend en opnieuw vastgesteld.

Bij besluit van 15 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1. Het College stelt voorop dat het primaire besluit is genomen na 1 januari 2015. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 16 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:90)) blijft de Regeling van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015. Uit dit oordeel volgt dat verweerder het primaire besluit en het bestreden besluit terecht heeft genomen met toepassing van de Regeling.

2.1
Appellante heeft met het doen van haar Gecombineerde opgave 2014 op 14 april 2014 de uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd en hiervoor zeven percelen met een totale oppervlakte van 11,06 ha opgegeven.
2.2
Bij besluit van 9 december 2014 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2014 vastgesteld op € 13.583,22. Verweerder heeft hierbij 10,15 ha van de door appellante opgegeven oppervlakte in aanmerking genomen en appellante heeft hiermee al haar toeslagrechten voor het jaar 2014 benut.
2.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder wegens gewijzigde gegevens de voor de uitbetaling van de bedrijfstoeslag 2014 van appellante goedgekeurde oppervlakte van de percelen 1, 2 en 7 lager vastgesteld. Dit heeft geleid tot een totaal afgekeurde en gesanctioneerde oppervlakte van 2,15 ha, een aftrek in verband met de afgekeurde oppervlakte van € 1.181,80, een korting van anderhalf maal dit bedrag van € 1.772,71 en een herberekening en gewijzigde vaststelling van de bedrijfstoeslag 2014 op € 10.711,50.
2.4
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat de oppervlaktes van de percelen 1, 2 en 7 in het primaire besluit zijn aangepast in verband met de aanwezigheid van niet-subsidiabele elementen (een gedeelte van het talud in perceel 1, gedeelten van een greppel en een erf in perceel 2 en een gedeelte van perceel 7 dat meer dan 90 dagen van het jaar niet in gebruik is geweest als landbouwgrond nu daarop vanaf de tweede of derde week van september bouwwerkzaamheden zijn te zien).
3. Appellante kan zich niet vinden in de door verweerder bij het bestreden besluit opgegeven oppervlakte voor de percelen 1, 2 en 7 en stelt dat de door haar opgegeven percelen gewaspercelen zijn. Appellante voert hiertoe een meting van Kavel10.nl Landmeters en een brief van Stichting IJssellandschap van 23 oktober 2017 aan waarin de Stichting verklaart dat zich op perceel 7 weliswaar graafwerkzaamheden hebben voorgedaan, maar dat appellante over de periode 1 januari 2014 tot en met 1 september 2014 het volledige landbouwkundige gebruik heeft gehad.

4.1
Ingevolge artikel 34, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 73/2009), zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, wordt de steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling aan landbouwers toegekend na activering van een toeslagrecht per subsidiabele hectare. Elk geactiveerd toeslagrecht geeft recht op betaling van het in het kader van dat toeslagrecht vastgestelde bedrag. Het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 34 van Verordening 73/2009 bepaalde dat, voor zover hier van belang, onder ‚subsidiabele hectare’ wordt verstaan om het even welke landbouwgrond van het bedrijf, die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Artikel 2, aanhef en onder h van die verordening verstond onder ‚landbouwgrond’: om het even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, blijvend grasland of voor de teelt van blijvende gewassen.
4.2
De oppervlakte moet derhalve, om subsidiabel te zijn, landbouwgrond zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 2 juli 2015, Demmer, C-684/13, (ECLI:EU:C:2015:439), punt 54).
5. Het College overweegt als volgt.

5.1
Wat betreft perceel 1 stelt het College vast dat appellante dit perceel bij de Gecombineerde opgave heeft opgegeven met een oppervlakte van 2,20 ha en de gewascode 259, snijmais. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een subsidiabele oppervlakte van 2,16 ha goedgekeurd. Verweerder heeft hierbij uiteengezet dat aan de zuidzijde van het perceel een sloot ligt met een talud en dat appellante de grens hier te ruim heeft ingetekend en daarbij een gedeelte van het talud heeft meegenomen. Appellante betoogt dat zij het door verweerder afgekeurde talud ook gebruikt als landbouwgrond en dat het bewerkbaar was voor landbouwmachines. Appellante heeft het gras altijd gemaaid tot aan de watergrens. Dit betoog faalt. Verweerder heeft aan de hand van luchtfoto’s van het desbetreffende perceel genoegzaam duidelijk gemaakt dat hij de perceelgrens heeft vastgesteld op de zichtbare gewasgrens tussen bouwland ofwel snijmais en het talud, dat een andere begroeiing heeft dan de rest van het gewasperceel. Nu appellante in de Gecombineerde opgave heeft opgegeven dat perceel 1 wordt gebruikt voor snijmais, is verweerder bij de vaststelling van de oppervlakte terecht uitgegaan van de grens van het gewasperceel.
5.2
Wat betreft perceel 2 stelt het College vast dat appellante dit perceel bij de Gecombineerde opgave heeft opgegeven met een oppervlakte van 0,45 ha en gewascode 266, tijdelijk grasland. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een oppervlakte van 0,43 ha goedgekeurd in verband met de aanwezigheid van niet-subsidiabele elementen, namelijk een greppel aan de zuidzijde van het perceel en een gedeelte van een erf aan de noord- en noordwestzijde van het perceel. Appellante betoogt dat op perceel 2 geen greppel is te zien en betwist nadrukkelijk dat zij de grens te ruim langs het erf zou hebben ingetekend. Zij voert hiertoe aan dat zij met een specifiek meetprogramma van Kavel 10 langs het erf heeft gemeten. Dit betoog faalt. Het College stelt vast dat de strook aan de zuidzijde van het perceel op de luchtfoto’s die verweerder heeft overgelegd, anders van kleur en structuur is dan de rest van het perceel. Voorts is op de luchtfoto’s te zien dat appellante bij het doen van haar Gecombineerde opgave een deel van het erf heeft ingetekend. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder de perceelgrens ruimer had moeten trekken.
5.3.1
Wat betreft perceel 7 stelt het College vast dat appellante dit perceel bij de Gecombineerde opgave heeft opgegeven met een oppervlakte van 2,83 ha en met gewascode 265, blijvend grasland. Verweerder heeft bij het bestreden besluit een oppervlakte van 1,12 ha goedgekeurd en heeft hierbij uiteengezet dat appellante aan de noordoostzijde van het perceel de grens te ruim heeft ingetekend en dat appellante ook een gedeelte van de bouwwerkzaamheden die hebben plaatsgevonden, heeft ingetekend. Verweerder heeft hierom een gedeelte van perceel 7 met een oppervlakte van 1,71 ha afgewezen als subsidiabele landbouwgrond.
5.3.2
Verder stelt het College vast dat tussen partijen niet in geschil is dat perceel 7 behoorde tot het bedrijf van appellante, en dat tot de aanvang van de graafwerkzaamheden in september 2014 het door verweerder afgewezen gedeelte van perceel 7 in 2014 als landbouwgrond kon worden aangemerkt en voor landbouwactiviteiten is gebruikt. Appellante heeft immers onweersproken gesteld dat zij in september 2014 nog een snede gras van perceel 7 inclusief het door verweerder afgewezen gedeelte heeft gemaaid. Nu, zoals tussen partijen niet in geschil is, het afgekeurde gedeelte van perceel 7 in 2014 ook voor niet-landbouwactiviteiten werd gebruikt, namelijk voor werkzaamheden voor het project Ruimte voor de Rivier, en aldus sprake is van gemengd gebruik, moet worden beoordeeld of het afgekeurde gedeelte van het perceel in 2014 overwegend voor landbouwactiviteiten werd gebruikt. Op grond van artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (Verordening 1120/2009) is daarvan sprake indien het uitoefenen van de landbouwactiviteit geen noemenswaardige hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de niet-landbouwactiviteiten (zie ook het arrest van het HvJEU in de zaak-Demmer, punten 69 e.v.). Op grond van artikel 21b van de Regeling wordt voor de toepassing van artikel 9 van Verordening 1120/2009 landbouwgrond die niet meer dan 90 dagen per jaar voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, aangemerkt als overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikte landbouwgrond.
5.3.3
Gelet op de luchtfoto’s van 2014 en hetgeen appellante heeft verklaard, heeft verweerder terecht vastgesteld dat het afgekeurde gedeelte van perceel 7 meer dan 90 dagen van het jaar niet in gebruik is geweest als landbouwgrond, namelijk vanaf de tweede of derde week van september 2014. Vanaf deze periode zijn er op het afgekeurde gedeelte van het perceel immers bouw-/graafwerkzaamheden te zien. Naar het oordeel van het College heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat daardoor vanaf september 2014 sprake was van noemenswaardige hinder in de zin van artikel 9 van Verordening 1120/2009, zodat het afgekeurde gedeelte van het perceel in 2014 niet overwegend voor landbouwactiviteiten werd gebruikt. Op grond van het voorgaande is het College van oordeel dat verweerder het gedeelte van perceel 7 met een oppervlakte van 1,71 ha terecht niet heeft aangemerkt als subsidiabele landbouwgrond.
6. Voor zover appellante een beroep heeft willen doen op artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slaagt dit beroep niet. De artikelen 58 en 80 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (Verordening 1122/2009) verplichten verweerder namelijk om de steun te verlagen indien de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte en om de ten onrechte uitbetaalde bedrijfstoeslag terug te vorderen, en laten - welke situatie in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb ook is voorzien - geen ruimte voor een belangenafweging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 8 maart 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:81)).
7. Het voorgaande brengt mee dat het beroep ongegrond is.
8.1
Het College stelt – ambtshalve – vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354 en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2). Het gaat hier om een niet-punitieve procedure die volgt op een primair besluit dat is bekend gemaakt na 1 februari 2014. Gelet op vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.
8.2
Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 10 juli 2017. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak op 13 augustus 2019 de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met ongeveer vijf weken is overschreden. Van factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de behandelingsduur gerechtvaardigd te achten is geen sprake.
8.3
Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, brengt dit mee dat appellante recht heeft op € 500,- schadevergoeding.
8.4
Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, nu de behandeling van het bezwaar ruim vijf maanden in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep een jaar, zes maanden en ongeveer drie weken heeft geduurd.
8.5
Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Awb de Staat der Nederlanden (de Staat) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellante (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.2).
8.6
Het College ziet hierin tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb de Staat te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten (zie genoemd arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.2). Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5). Het College vindt evenals de Hoge Raad aanleiding om in de omstandigheid dat de Staat slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante omdat aan appellante een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak – als bedoeld in onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – te hanteren van 0,5 (licht) (zie het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:660)).
8.7
Tot slot zal het College de Staat opdragen het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,- aan appellante te vergoeden.
beslissing

Beslissing

- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 512,-;- draagt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.

w.g. H.L. van der Beek w.g. W.M.J.A. Duret