Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:347

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-08-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:347, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/113


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo)
(gemachtigden: mr. R.A. van der Voort en mr. C. Cromheecke).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/113

en

ECLI:NL:CBB:2019:347:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo)
(gemachtigden: mr. R.A. van der Voort en mr. C. Cromheecke).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/113

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op de aanvraag van appellant om uitbetaling van de betalingsrechten (de basis- en de vergroeningsbetaling) voor het jaar 2016 op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 28 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en verweerder hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Appellant heeft met het doen van zijn Gecombineerde opgave 2016 op 17 mei 2016 voor de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling 18 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 37,25 ha.
1.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder de basis- en vergroeningsbetaling van appellant voor het jaar 2016 vastgesteld op € 14.423,51 en hiervoor een oppervlakte van 35,41 ha in aanmerking genomen. Appellant heeft een te grote oppervlakte opgegeven. Omdat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte kleiner is dan 10% en verweerder niet eerder een oppervlakteverschil bij appellant heeft geconstateerd (na invoering van de gele kaart), komt appellant in aanmerking voor de toepassing van de gele kaart en wordt de helft van de sanctie opgelegd. Dit heeft voor appellant geresulteerd in een administratieve sanctie van € 410,73.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling van appellant voor het jaar 2016 vastgesteld op € 14.640,71. Verweerder heeft hiervoor een oppervlakte van 35,90 ha in aanmerking genomen. Dit heeft voor appellant geresulteerd in aan administratieve sanctie van € 299,41.
3. Appellant kan zich niet verenigen met het bestreden besluit waarin de uitbetaling van zijn betalingsrechten voor het jaar 2016 is vastgesteld en voert – kort weergegeven – het volgende aan. Appellant kan zich niet vinden in de manier waarop verweerder de subsidiabele perceeloppervlakten vaststelt. Appellant voert hiertoe aan dat er in zijn geval sprake is geweest van een zogenoemde 1%-controle waarbij door verweerder geen onregelmatigheden zijn vastgesteld. Nu dit het geval is, dient verweerder de door appellant bij de Gecombineerde opgave opgegeven perceeloppervlakten over te nemen voor de uitbetaling van de betalingsrechten. Indien verweerder toch niet kan vaststellen dat de door appellant opgegeven perceeloppervlakten onjuist zijn, is verweerder gehouden een fysieke veldmeting uit te voeren. Dat is ten aanzien van de percelen van appellant in 2016 niet gebeurd. Appellant stelt voorts dat verweerder de meettolerantie en de 2%-marge niet (juist) toepast.
4.1
Zoals het College eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:236)) is in Nederland het systeem voor identificatie van landbouwpercelen gebaseerd op topografische percelen, die dienst doen als referentiepercelen. Samen vormen zij de AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland). Daarbij wordt gebruik gemaakt van een landsdekkende luchtfoto met een schaal van 1:2.500. Voorts heeft het College reeds geoordeeld dat de functie van het systeem van referentiepercelen is om informatie te leveren wat betreft de maximale subsidiabele oppervlakte, en dat verweerder de AAN-laag mag gebruiken om te controleren of, en zo ja, in hoeverre de door de landbouwer opgegeven landbouwpercelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden. Een GPS-meting kan eventueel leiden tot een aanpassing van het referentieperceel, maar is niet zonder meer bepalend voor de vaststelling van de omtrek c.q. grenzen van het referentieperceel (zie de uitspraak van 23 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:161)). Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de methode waarmee door verweerder de geconstateerde oppervlakte is vastgesteld niet onjuist te achten is.
4.2
Voor zover appellant betoogt dat verweerder ten aanzien van zijn percelen op basis van de AAN-laag ten onrechte andere dan de opgegeven oppervlaktes heeft vastgesteld, omdat daaraan geen fysieke meting ten grondslag ligt en dat dit in strijd is met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (Verordening 809/2014), moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt. Zoals het College eerder onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 10 april 2014, inzake Maatschap T. van Oosterom en A. van Oosterom-Boelhouwer, C-485/12, (ECLI:EU:C:2014:250) heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:30)), heeft het Hof van Justitie overwogen dat artikel 24, tweede lid, van Verordening 796/2004 (thans artikel 29, tweede lid, van Uitvoeringsverordening 809/2014) bepaalt dat de constatering van onjuistheden in de aangifte van de landbouwer aanleiding geeft tot een vervolgactie in de vorm van enige passende administratieve procedure en zo nodig een controle ter plaatse. Dit geldt - ingevolge de doelstelling van artikel 23, eerste lid, van Verordening 796/2004 - ook als die onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen door een vergelijking tussen opgegeven percelen landbouwgrond en recente luchtbeelden die worden gebruikt voor actualisering van het systeem voor identificatie van de landbouwpercelen. Wordt een onregelmatigheid geconstateerd dan is het aan de bevoegde autoriteit om te beoordelen welke maatregelen dienen te worden genomen. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegde autoriteit die geen enkele twijfel koestert over de meetgegevens die zij heeft ontleend aan de luchtbeelden waarover zij beschikt, in elk geval niet verplicht is om de betrokken percelen ter plaatse op te meten. Zou de bevoegde autoriteit in het geval zij een onregelmatigheid constateert altijd de percelen ter plaatse moeten meten, dan zou de beoordelingsruimte betekenisloos zijn, aldus het Hof van Justitie.
4.3
Voor zover de gronden van appellant met betrekking tot de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van zijn percelen inhouden dat verweerder had moeten uitgaan van de door appellant opgegeven oppervlakte van de percelen, nu verweerder bij de 1%-controle geen onregelmatigheden heeft vastgesteld, kunnen deze gronden niet slagen. Dit omdat verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat eerdergenoemde controle op het bedrijf van appellant zag op de naleving van de randvoorwaarden en hierbij door verweerder geen GPS-meting van de percelen van appellant is uitgevoerd.
4.4
Voor wat betreft perceel 35 stelt het College vast dat appellant dit perceel bij het doen van zijn Gecombineerde opgave heeft opgegeven met een oppervlakte van 0,98 ha en de gewascode 266 (tijdelijk grasland). Verweerder heeft bij het bestreden besluit de subsidiabele oppervlakte van perceel 35 vastgesteld op 0,91 ha, gewascode 265 (blijvend grasland). Appellant heeft ter zitting gesteld dat verweerder aan de noordkant een strook van het perceel ten onrechte heeft afgekeurd als subsidiabele landbouwgrond. Aan deze kant van het perceel staan de stammen van de bomen scheef waardoor ze over het perceel heen hangen. Onder deze overhangende bomen bevindt zich echter subsidiabele landbouwgrond. Dit betoog faalt. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat hij de perceelgrens aan de noordkant van perceel 35 op de gewasgrens heeft gelegd, waarbij hij rekening heeft gehouden met grond onder de kruinen van de bomen. Op de door verweerder overgelegde winterfoto van 2016 is een duidelijk kleurverschil tussen het gewasperceel en de naastgelegen grond onder de bomenrij te zien. Hetgeen appellant heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de perceelgrens aan de noordkant van perceel 35 niet juist heeft vastgesteld.
4.5
Uit bovenstaande volgt dat de beroepsgronden van appellant niet slagen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van de toepassing van de meettolerantie en de 2%-marge door verweerder doet hieraan niet af, nu appellant niet concreet heeft gemaakt tot welk mogelijk nadeel dit in zijn geval heeft geleid.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. W.M.J.A. Duret, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2019.

w.g. H.L. van der Beek w.g. W.M.J.A. Duret