Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:282

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:282, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2718


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: G.J. Veenstra)
(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. S.M. Piron)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

Zaaknummer: 18/2718

en

ECLI:NL:CBB:2019:282:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: G.J. Veenstra)
(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. S.M. Piron)
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussen [naam 1] , te [plaats] , appellant,de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
Zaaknummer: 18/2718

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van het bedrijf van appellant vastgesteld op 2.547 kilogram (kg).

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van het bedrijf van appellant vastgesteld op 2.551 kg.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1. Het College gaat uit van het volgende.

1.1
Appellant had ten tijde hier van belang een eenmanszaak.
1.2
Bij een door verweerder op 22 januari 2016 ontvangen melding overdracht of beëindiging agrarisch bedrijf heeft appellant de bedrijfsoverdracht gemeld van maatschap [naam 2] en [naam 3] (het overgenomen bedrijf) aan hem gemeld.
1.3
Op het bedrijf van appellant waren gedurende een periode in 2015 24 melk- en kalfkoeien ingeschaard van de mts. [naam 4] (uitschaarder). Verweerder heeft bij besluit van 5 januari 2018 het fosfaatrecht voor deze maatschap vastgesteld en heeft dat fosfaatrecht mede gebaseerd op een gemiddeld aantal melk- en kalfkoeien in 2015 van 134,4, waaronder genoemde 24 melk- en kalfkoeien, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 9.050 kg en een daarbij behorend excretieforfait van 43,5 kg.
1.4
Bij het primaire besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van het bedrijf van appellant vastgesteld op 2.542 kg en het fosfaatrecht van het door appellant overgenomen bedrijf op 2.207 kg.
1.5
Op 13 maart 2018 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
1.6
Op 19 juni 2018 heeft verweerder afwijzend beslist op de door appellant op 30 maart 2018 ingediende melding in- en uitscharen fosfaatrechten. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het fosfaatrecht van het bedrijf van appellant vastgesteld op 2.551 kg. Het besluit vermeldt dat dit exclusief de fosfaatrechten is voor het door appellant overgenomen bedrijf en exclusief de fosfaatrechten die appellant ontvangt ten aanzien van het in- en uitscharen. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet dat hij niet tegemoet komt aan het verzoek van appellant om ten aanzien van de 24 ingeschaarde melk- en kalfkoeien te rekenen met het excretieforfait van 43,5 kg zoals dat is vastgesteld voor de uitschaarder. Dit excretieforfait is het forfait voor de uitschaarder. Het melkvee leverde bij dat bedrijf melk voor commerciële productie, terwijl deze koeien op het bedrijf van appellant droog stonden en mogelijk geen melk hebben geproduceerd. De hoeveelheid melk is niet vast te stellen, zodat wordt uitgegaan van een fictieve melkproductie voor het ingeschaarde melkvee met de laagste excretieklasse. Bij het fosfaatrecht van het bedrijf van appellant is verweerder uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 6 kg, een gemiddeld aantal melkkoeien in 2015 van 5,9, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 1 kg en een excretieforfait van 32,4 kg. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellante 24 melk- en kalfkoeien en 104 stuks jongvee.
3. Verweerder heeft ter zitting van het College erkend dat de besluitvorming in bezwaar onvolledig is geweest. Hij heeft verklaard dat er thans nog een bezwaarprocedure loopt tegen de afwijzing appellant als een nieuw gestart bedrijf als bedoeld in artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Uitvoeringsbesluit) aan te merken en dat de uitkomst ervan mogelijk gevolgen heeft voor het fosfaatrecht van appellant.
4. Voorts heeft verweerder in het verweerschrift erkend dat ten onrechte één dier in diercategorie 101 is geplaatst in plaats van in diercategorie 102. Het aantal fosfaatrechten moet dan, zo heeft verweerder ter zitting verklaard, worden vastgesteld op 2564.
5.1
Appellant voert aan dat verweerder ten aanzien van de 24 melk- en kalfkoeien ten onrechte is uitgegaan van het excretieforfait van 32,4 kg. Het excretieforfait moet gelijk zijn aan dat van de uitschaarder en gebaseerd zijn op diens melkproductie. Het bedrijf van appellant en dat van de uitschaarder zijn sterk met elkaar verbonden. De koeien stonden weliswaar ingeschaard droog bij appellant, maar hebben melk geproduceerd voor de uitschaarder. Het kan niet zo zijn dat het enkele feit dat deze droge koeien op een andere plek stonden, het excretieforfait 11,1 kg lager is. Het is bovendien niet redelijk om op grond van het ontbreken van melkproductie, uit te gaan van de laagste excretieklasse. Dit betekent dat het excretieforfait van 43,5 kg zoals toegewezen aan de uitschaarder ook voor de 24 bij appellant ingeschaarde koeien moet gelden. Het fosfaatrecht moet om die reden worden verhoogd met 278,7 kg naar 2.830 kg.
5.2
Het College overweegt als volgt.
5.3
Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd. Ingevolge artikel 23, vijfde lid, van de Msw wordt – kort gezegd – indien een landbouwer meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.
5.4
Artikel 66, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt dat de door melkkoeien in een kalenderjaar op een bedrijf geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen wordt bepaald op basis van het gemiddelde aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden of anderszins aanwezige melkkoeien en op basis van forfaitaire productienormen, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en in kilogrammen fosfaat, per dier per jaar, onderscheiden naar de gemiddelde melkproductie per op het bedrijf aanwezige melkkoe. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet worden, voor zover hier van belang, als forfaitaire productienormen per melkkoe als bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit voor de naar de gemiddelde melkproductie onderscheiden melkkoeien vastgesteld de normen die zijn vermeld in bijlage D, tabel II. Het tweede lid van artikel 74 bepaalt dat de gemiddelde melkproductie per melkkoe, bedoeld in artikel 66, tweede lid, van het besluit, wordt bepaald door de hoeveelheid in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal in het desbetreffende kalenderjaar op het bedrijf gehouden melkkoeien.
5.5
Naar het oordeel van het College biedt het hiervoor weergegeven wettelijke kader geen aanknopingspunt voor het standpunt van appellant dat verweerder in een situatie als hier aan de orde, waarin appellant gedurende een periode in 2015 houder van de dieren was, bij hem het excretieforfait van de uitschaarder moet toepassen. Uit dit kader blijkt wel dat de forfaitere productienorm per melkkoe moet worden vastgesteld door de hoeveelheid op het bedrijf geproduceerde koemelk te delen door het gemiddeld aantal gehouden melkkoeien. Zo heeft verweerder ook het excretieforfait van de uitschaarder berekend. Niet in geschil is dat de hoeveelheid op het bedrijf van appellant geproduceerde koemelk in 2015 nagenoeg nihil is. Het College acht niet ontoelaatbaar dat verweerder in die situatie uitgaat van het laagste excretieforfait van 32,4 kg en niet van het excretieforfait van de uitschaarder. Verweerder is dus terecht uitgegaan van het excretieforfait van 32,4 kg.
5.6
Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.
6. Voorts heeft verweerder ter zitting erkend dat hij het verzoek om schadevergoeding van appellant ten bedrage van € 6.967,50 voor inkomstenderving ten gevolge van door hem aangekochte fosfaatrechten ten onrechte heeft gepasseerd. Nu het fosfaatrecht van appellant, anders dan in het verweerschrift is gesteld, wel door verweerder is verhoogd, dient verweerder een inhoudelijk oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding ter compensatie van door hem aangekochte fosfaatrechten. Ter zitting heeft verweerder verklaard dit verzoek te zullen betrekken bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar.
7. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 3, 4 en 7 is overwogen moet het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College zal verweerder, zoals ter zitting ook besproken, opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.
8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
beslissing

Beslissing

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan appellant te vergoeden.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

w.g. A. Venekamp w.g. J.M.M. van Dalen

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;