Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:278

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-07-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:278, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2608


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: ing. J. Pot),
(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. S.M. Piron).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/2608

en

ECLI:NL:CBB:2019:278:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: ing. J. Pot),
(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. S.M. Piron).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussenMaatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellante de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/2608

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.545 kilogram (kg).

Bij besluit van 24 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.622 kg.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Ingevolge artikel 21b van de Msw is het een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Msw stelt de minister het op een bedrijf rustende fosfaatrecht per 1 januari 2018 vast in overeenstemming met de productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en geregistreerd.
1.2
Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw, bepaalt de minister, indien een landbouwer voor 1 april 2018 meldt en aantoont dat het reguliere fosfaatrecht minimaal vijf procent lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de landbouwer of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van de melkveestallen, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover deze landbouwer zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt (de knelgevallenregeling).
2.1
Verweerder heeft bij het primaire besluit het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 5.545 kg. Daarbij is verweerder uitgegaan van een totale melkproductie in 2015 van 948.227 kg, een gemiddelde melkproductie per koe in 2015 van 8.414 kg en een excretieforfait van 42 kg. Op de peildatum van 2 juli 2015 hield appellante 111 melk- en kalfkoeien en 65 stuks jongvee.
2.2
Op 30 maart 2018 heeft appellante een melding bijzondere omstandigheden gedaan. Vanaf 8 mei 2014 was sprake van het Bovine Virus Diarree (BVD-infectie) op de veehouderij. Hierdoor heeft appellante melkkoeien moeten laten afvoeren en is de melkproductie lager uitgevallen.
2.3
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en het fosfaatrecht verhoogd naar 5.622 kg. Verweerder is in het bestreden besluit tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante ten aanzien van haar melkproductie en dieraantallen. Wat betreft het beroep op de knelgevallenregeling heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van dierziekte op het bedrijf van appellante, maar dat zij niet voldoet aan alle voorwaarden van artikel 23, zesde lid, van de Msw.
3.1
Appellante voert in beroep aan dat haar reguliere fosfaatrecht meer dan 5% lager is vastgesteld dan wanneer de BVD-infectie niet had plaatsgevonden. Verweerder moet uitgaan van het aantal stuks vee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf aanwezig zou zijn wanneer de dierziekte zich niet had voorgedaan. Met de door appellante ingebrachte onderzoeksresultaten en het CRV Mineraal kan worden aangetoond dat 5 stuks jongvee en 1 melkkoe waren geïnfecteerd en zijn afgevoerd. Voorts stelt appellante dat verweerder in de berekening van het fosfaatrecht moet uitgaan van de melkproductie in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 augustus 2014. Ter zitting heeft appellante verklaard dat de dierziekte in 2013 al sluimerde in haar bedrijf en veel koeien daardoor kalveren hebben verworpen. Omdat deze koeien opnieuw geïnsemineerd moesten worden is de melkproductie eind 2014 en in 2015 lager uitgevallen. Noch uit de wet noch uit de memorie van toelichting van de Msw blijkt dat voor de beoordeling van de melkproductie een volledig kalenderjaar als uitgangspunt moet worden genomen. Bij de berekening van de totale hoeveelheid geproduceerde melk over deze maanden moet worden opgeteld dat per melkkoe 224 kg melk is vervoederd aan kalveren. Wanneer de door appellante gestelde hoeveelheid geproduceerde melk wordt gehanteerd, de over de maanden januari 2014 tot en met augustus 2014 geproduceerde melk gedeeld door acht maal twaalf, komt dit uit op een excretieforfait van 44,2 kilogram per koe.
3.2
Verweerder heeft in het verweerschrift een nieuwe berekening gemaakt waarin de datum voor intreden van de bijzondere omstandigheid van de dierziekte, te weten 7 mei 2014, als alternatieve peildatum is gekozen. Hierbij is de door appellante gestelde 224 kg vervoederde melk aan kalveren per koe in de melkproductie over 2014 meegenomen. Met deze berekening voldoet appellante volgens verweerder ook niet aan de 5%-eis zoals gesteld in artikel 23, zesde lid, van de Msw. Verweerder herhaalt in het verweerschrift zijn standpunt dat bij een beroep op de knelgevallenregeling een alternatieve peildatum van vóór de bijzondere omstandigheden zich voordeed moet worden gehanteerd en de melkproductie over een kalenderjaar, lopende van 1 januari tot en met 31 december, moet worden meegenomen.
4. Het College overweegt als volgt. Voor zover appellante betoogt dat bij de beoordeling of sprake is van een knelgeval rekening moet worden gehouden met de afgevoerde dieren voor de vaststelling van haar dieraantallen op 2 juli 2015, slaagt haar beroep niet. Zoals reeds is overwogen in de uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL):CBB (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL:CBB):2019 (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL:CBB:2019):232 (https://recht.nl/rechtspraak/uitspraak/?ecli=ECLI:NL:CBB:2019:232), is de knelgevallenregeling niet van toepassing op niet gerealiseerde uitbreidingen op 2 juli 2015. Dat appellante, zoals zij ter zitting heeft gesteld, geen uitbreider is maar bij haar slechts sprake is van geringe groei, maakt dit niet anders. Verweerder heeft dan ook terecht de 5 afgevoerde stuks jongvee en 1 melkkoe in zoverre niet in genoemde beoordeling meegenomen.
5. Het betoog van appellante dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een knelgeval niet verplicht is voor de berekening van de totale melkproductie een kalenderjaar te hanteren, treft wel doel. Het College is van oordeel dat uit de wet niet volgt dat de systematiek van artikel 23, derde lid, van de Msw onverkort moet worden toegepast op de knelgevallenregeling. Het moet, zoals is overwogen in de uitspraak van 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:248, gaan om een periode (waar dat kan van een jaar) die representatief is voor het bedrijf en aansluit bij de gestelde bijzondere omstandigheden. Met de door verweerder in het verweerschrift uitgevoerde berekening is hij uitgegaan van de totale melkproductie van 2014, wat, nu de dierziekte is ingetreden op 7 mei 2014, niet zonder meer representatief is voor het bedrijf en niet aansluit bij de bijzondere omstandigheid. In zoverre is het bestreden besluit niet met vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.
6.1
Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5. is overwogen moet het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het College kan niet zelf in de zaak voorzien omdat hij niet beschikt over de gemiddelde melkproductie per koe over een voor appellante representatieve periode. Het College zal verweerder om die reden opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College zal hiervoor een termijn van zes weken stellen.
6.2
Het College veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-).
beslissing

Beslissing

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.024,-;- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338,- aan appellante te vergoeden.
Het College:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van mr. J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

w.g. A. Venekamp w.g. J.M.M. van Dalen

-

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;