Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:276

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-07-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:276, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2888


Bron: Rechtspraak

uitspraak

Stille maatschap tussen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3]

(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. drs. K.K.E. Blom).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/2888

en

ECLI:NL:CBB:2019:276:DOC
nl

uitspraak
Stille maatschap tussen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3]

(gemachtigden: mr. J.H. Eleveld en mr. drs. K.K.E. Blom).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van enkelvoudige kamer van 9 juli 2019 in de zaak tussende minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/2888

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellant vastgesteld op 4.281 kilogram (kg).

Op 20 maart 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden (de melding) ontvangen.

Op 27 juli 2018 heeft verweerder deze melding “afgewezen”. Het daartegen gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 31 oktober 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2018. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 3] en [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

overwegingen

Overwegingen

1. Bij de berekening van het fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op de peildatum van 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 85 melk- en kalfkoeien, 55 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 26 stuks jongvee van 1 jaar en ouder en heeft hij rekening gehouden met een melkproductie per koe van 8.524 kg (wat een excretieforfait oplevert van 42).

2.1
Appellante voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw wegens diergezondheidsproblemen en ziekte van een van de maten ( [naam 1] ). In de periode van de melkquotering werd daarom al vele jaren een deel van het melkquotum verleased. In de winter van 2014/2015 is om die reden ook besloten om samen te gaan werken met een jonge landbouwer ( [naam 3] ). Appellante betoogt dat verweerder bij de berekening van het fosfaatrecht de feitelijke bedrijfssituatie op de peildatum dient te vergelijken met de bedrijfssituatie zoals die zou zijn geweest indien de bijzondere omstandigheden zich niet hadden voorgedaan. Er wordt immers in de Msw niet gesproken over een datum voor of na de peildatum. Gezien de fase waarin het bedrijf zich bevond op de peildatum is duidelijk te zien dat door de samenwerking het bedrijf beter floreerde. Er is een bouwvergunning aangevraagd en verleend en er is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend. Door de ziekte is bewust gekozen om de veestapel te laten groeien door eigen aanfok en niet door de aankoop van melkkoeien. Door toeval kreeg het bedrijf echter op dat moment te maken met diergezondheidsproblemen in de vorm van een salmonella-uitbraak. Hierdoor moesten meerdere melkkoeien worden afgevoerd kort voor de peildatum. Indien de uitbreiding zich had voortgezet zou het bedrijf eind 2015 hebben beschikt over 100 melkkoeien en ongeveer 80 stuks bijbehorend jongvee. Appellante verzoekt om het fosfaatrecht te berekenen aan de hand van deze dieraantallen.
2.2
Verweerder heeft de gegevens op de peildatum vergeleken met de gegevens op 1 januari 2012, zijnde een datum voordat de ziekte van [naam 1] zich voordeed, en met de gegevens op 1 januari 2014 omdat uit de verklaring van de veearts blijkt dat de diergezondheidsproblemen zich in de loop van 2014 hebben voorgedaan. Uitgaande van de gegevens op deze alternatieve peildata van 1 januari 2012 en 1 januari 2014 berekent verweerder het fosfaatrecht (zonder generieke korting) op 3.067,6 kg respectievelijk 4.022,3 kg. Het fosfaatrecht op de peildatum is vastgesteld op 4.667,4 kg (zonder generieke korting). Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het fosfaatrecht op de peildatum minimaal vijf procent lager is dan op de alternatieve peildata (5%-drempel). Dit leidt ertoe dat aan appellante geen extra fosfaatrechten worden toegekend.
3. Het gaat bij de toepassing van artikel 23, zesde lid, van de Msw om een besliscomponent die verweerder in zijn beslissing op bezwaar behoort te betrekken (zie de uitspraak van 14 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:429). Bij besluit van 12 januari 2018 heeft verweerder het op het bedrijf van appellante rustende fosfaatrecht vastgesteld. Verweerders voorlichting heeft de indruk gewekt dat appellante geen actie behoefde te nemen tegen de vaststelling van he fosfaatrecht en in de plaats daarvan een melding bijzondere omstandigheden moest doen. De melding vormt een bezwaarschrift tegen dat besluit. De overschrijding van de bezwaartermijn is daarom verschoonbaar. Verweerder had het bezwaar moeten opvatten als gericht tegen het besluit van 12 januari 2018 en dat besluit moeten heroverwegen. Materieel heeft verweerder dat ook gedaan.

4.1
Hier staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden het beroep op de knelgevallenregeling heeft afgewezen. Het College overweegt hieromtrent als volgt. Vaststaat dat de diergezondheidsproblemen en de ziekte van [naam 1] buitengewone omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Msw.
4.2
Appellante heeft ter zitting betoogd dat de uitspraak van het College van 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4 in haar geval niet van toepassing is omdat geen sprake is van uitbreiding. Het College volgt appellante niet in dit betoog. Immers voor een bedrijf met een stabiel aantal dieren en waar geen sprake is van groei, zal het mogelijk zijn om in het geval van buitengewone omstandigheden een datum in het verleden te bepalen waarop het aantal fosfaatrechten hoger is dan op de peildatum. In het geval van appellante is een dergelijke alternatieve peildatum niet te bepalen. Het kan dan ook niet anders dan dat in het geval van appellante sprake was van groei. Daar komt bij dat appellante in haar beroepschrift heeft opgemerkt dat zij via eigen aanfok de veestapel wilde laten groeien naar ongeveer 100 melkkoeien met bijbehorend jongvee.
4.3
In zijn uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:232 heeft het College overwogen dat de knelgevallenregeling niet van toepassing is op niet gerealiseerde uitbreiding op de peildatum. Het College heeft in deze uitspraak daartoe het volgende overwogen.
“In zijn uitspraak van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4) heeft het College over artikel 23, zesde lid, van de Msw geoordeeld dat ook in geval van (deels gerealiseerde) uitbreidingsplannen, een vergelijking tussen de bedrijfssituatie op het moment van het intreden van de buitengewone omstandigheid en de bedrijfssituatie op de peildatum moet plaatsvinden. Dat dit tot gevolg kan hebben dat de stagnatie in de groei ten gevolge van de buitengewone omstandigheid, niet meer kan worden gecompenseerd, heeft het College in die uitspraak onder ogen gezien en aanvaard. Het College heeft hiermee aangesloten bij de uitdrukkelijke wens van de wetgever om niet gerealiseerde uitbreidingen niet in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het fosfaatrecht (zie de door verweerder aangehaalde Kamerstukken II, 2015-2016, 34532, nr.3, p. 40en Kamerstukken II, 2016-2017, 34532, nr.7, p.47Dat verweerder dit uitgangspunt niet alleen hanteert voor (beoogde en gerealiseerde) uitbreidingen na 2 juli 2015, maar ook van toepassing acht op niet gerealiseerde uitbreidingen op de peildatum, heeft het College in die uitspraak in lijn geacht met de bedoeling van de wetgever in het kader van de vaststelling van de situatie die in redelijkheid op het bedrijf mocht worden verwacht. De wetgever zag geen plaats om toekomstige ontwikkelingen te betrekken, teneinde verhoging van het fosfaatrecht door (nog niet verwezenlijkte) uitbreidingsplannen te voorkomen.”

4.4
Het College ziet geen aanleiding om in deze zaak anders te oordelen. Dit betekent dat verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan de knelgevallenregeling en dat de beroepsgrond die hierop betrekking heeft, niet slaagt. Voor de niet gerealiseerde uitbreiding staat wel beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) open. Appellante heeft niet betoogt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. De opmerking ter zitting dat op de lange termijn de inkomsten niet voldoende zullen zijn om twee gezinnen te onderhouden, is daarvoor onvoldoende temeer nu appellante daaraan heeft toegevoegd dat het op dit moment lukt om het hoofd boven water te houden. Het College ziet derhalve geen aanleiding voor een toetsing aan artikel 1 EP.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.
w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems