Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:231

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:231, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/1397


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten),
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.G. Biesheuvel).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/1397

en

ECLI:NL:CBB:2019:231:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten),
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J.G. Biesheuvel).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussen [naam] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/1397

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 7.904 kilogram (kg).

Bij besluit van 26 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en een verbeurde dwangsom wegens niet tijdig beslissen vastgesteld en toegekend.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2019.Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
overwegingen

Overwegingen

1. Bij de berekening van het fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 150 melkkoeien, 62 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 39 stuks jongvee van 1 jaar en ouder en heeft hij rekening gehouden met een gemiddelde melkjaarproductie per koe van 10.402 kg (wat een excretieforfait oplevert van 47,8).

2.1
Appellante voert aan dat op de peildatum van 2 juli 2015 28 stuks jongvee elders waren gehuisvest omdat op het bedrijf van appellante renovatiewerkzaamheden plaatsvonden. Appellante heeft verweerder verzocht om bij de vaststelling van het fosfaatrecht rekening te houden met deze 28 stuks jongvee. Het bij dit aantal stuks jongvee horend fosfaatrecht bedraagt 613,2 kg. Het fosfaatrecht is dientengevolge minimaal 5% lager door bouwwerkzaamheden (de 5%-drempel), zodat het op grond van artikel 23, zesde lid, van de Msw moet worden verhoogd.
2.2
Verweerder blijft bij het standpunt dat appellante niet in aanmerking komt voor de knelgevallenregeling. Uitgaande van de gegevens op de alternatieve peildatum van 23 mei 2013 bedraagt het fosfaatrecht van appellante op deze datum 8.526,9 kg. Hiermee wordt niet voldaan aan de 5%-drempel. Verweerder volgt de stelling van appellante niet dat ze over 28 stuks jongvee meer zou hebben beschikt als de renovatie zich niet zou hebben voorgedaan. Volgens artikel 23, zesde lid, van de Msw wordt immers geen rekening gehouden met de hypothetische situatie, namelijk het aantal dieren dat appellante op de peildatum zou hebben gehad als de bijzondere situatie zich niet had voorgedaan. Verweerder verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar de uitspraak van het College van 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:4).
3. Ter zitting is het College gebleken dat aan het bedrijf waar de 28 stuks jongvee tijdelijk waren geplaatst gedurende de bouwwerkzaamheden, fosfaatrechten zijn toegekend voor, onder meer, deze 28 dieren en dat deze fosfaatrechten nadien aan appellante zijn overgedragen. Appellante heeft dan ook reeds voor deze 28 stuks jongvee fosfaatrechten ontvangen en het toekennen van extra fosfaatrechten in het kader van de knelgevallenregeling zou dan ook leiden tot een dubbeltelling. Het betoog van appellante dat dat in dit geval mogelijk zou moeten zijn net als mogelijk is voor aan- dan wel afgevoerde dieren op de peildatum, kan in dit geval niet worden gevolgd. De situatie van appellante verschilt immers wezenlijk van de situatie zoals die in de uitspraak van het College van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:523) aan de orde was. In het geval van appellante waren de dieren niet, dus ook niet op enig moment, op de peildatum aanwezig op het bedrijf van appellante. Voor enige dubbeltelling is hier dan ook geen plaats.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems