Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:229

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:229, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/2751


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. A. Tymersma),
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. Y. Groen).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenMelkveebedrijf [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder

zaaknummer: 18/2751

en

ECLI:NL:CBB:2019:229:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. A. Tymersma),
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. Y. Groen).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2019 in de zaak tussenMelkveebedrijf [naam 1] en [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 18/2751

en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet (Msw) het fosfaatrecht van appellante vastgesteld op 4.795 kilogram (kg).

Op 22 februari 2018 heeft verweerder van appellante een melding bijzondere omstandigheden ontvangen.

Bij besluit van 8 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit beslist en heeft hij het bezwaar ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2019. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij de berekening van het fosfaatrecht is verweerder uitgegaan van de op 2 juli 2015 (de peildatum) aanwezige 94 melk- en kalfkoeien, 23 stuks jongvee jonger dan 1 jaar en 41 stuks jongvee van 1 jaar en ouder en heeft hij rekening gehouden met een gemiddelde melkjaarproductie per koe van 7.432 kg (wat een excretieforfait oplevert van 39,1).
2. Appellante voert aan dat in haar geval sprake is van een bijzondere omstandigheid wegens bouwwerkzaamheden. Zonder deze bouwwerkzaamheden zou de fosfaatproductie op het bedrijf van appellante op de peildatum minimaal vijf procent hoger zijn geweest dan de huidige vaststelling. Als gevolg van de bouwwerkzaamheden heeft appellante bewust minder vee gehouden en is de gemiddelde melkproductie gedaald.
3. Ingevolge artikel 23, zesde lid, van de Msw bepaalt verweerder, als appellante aantoont dat haar fosfaatrecht minimaal 5% lager uitvalt (5%-drempel) door de verbouwingswerkzaamheden, het fosfaatrecht aan de hand van het melkvee waarover zij zonder deze buitengewone omstandigheden zou hebben beschikt. Verweerder heeft de gegevens op de peildatum vergeleken met de gegevens op de alternatieve peildatum van 12 augustus 2014, zoals door appellante in de melding bijzondere omstandigheden is opgegeven, en het fosfaatrecht op die laatste datum berekend op 5.105,5 kg. Hiermee wordt voldaan aan de 5%-drempel. Aan appellante worden echter geen extra fosfaatrechten toegekend omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het fosfaatrecht op de peildatum als gevolg van de bijzondere omstandigheid lager is dan op de alternatieve peildatum. Er is volgens verweerder geen sprake van een causaal verband.
4. Dit geschil spitst zich toe op de vraag of de bouwwerkzaamheden hebben geleid tot het lager vastgestelde aantal fosfaatrechten op de peildatum. De bewijslast hiervan berust op appellante. Het door appellante daartoe aangebrachte bewijs schiet echter tekort. Volgens verweerder blijkt uit de stukken dat de dieraantallen en de melkproductie gedurende heel 2014 fluctueerden en dat ook na de alternatieve peildatum van 12 augustus 2014 geen duidelijke afname van het aantal dieren dan wel de melkproductie is te zien. In sommige maanden na deze alternatieve peildatum is zelfs een toename van het aantal dieren en/of de melkproductie te zien. Dit is door appellante niet betwist. Anders dan appellante betoogt kan uit deze stukken dan ook niet zonder meer worden opgemaakt dat het aantal dieren en de melkproductie op de peildatum vanwege de bouwwerkzaamheden lager zijn dan op de alternatieve peildatum. Het College volgt verweerder in zijn betoog dat een causaal verband ontbreekt. Verweerder wijst er overigens nog op dat zodra een vergelijking wordt gemaakt met een alternatieve datum die dichter ligt bij periode waarin de bouwwerkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht, te weten vanaf het voorjaar 2015, de 5%-drempel niet langer wordt gehaald. Dit is door appellante evenmin betwist.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellante niet heeft aangetoond dat het aantal fosfaatrechten op de peildatum als gevolg van bouwwerkzaamheden op een hoger aantal moet worden vastgesteld. Haar beroepsgrond slaagt niet.
6. Het College ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

w.g. M. van Duuren w.g. F. Willems