Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:228

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:228, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/999


Bron: Rechtspraak

uitspraak
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 23 april 2018, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

bold

[naam 1] , te [plaats] , appellant,
zaaknummer: 18/999 20150
[naam 2] RA[naam 3] RA[naam 4] RA[naam 5] RA
(gemachtigden: mr. F.M.C. van der Velden en mr. W.K. van den Berg).

ECLI:NL:CBB:2019:228:DOC
nl

uitspraak
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 23 april 2018, gegeven op een klacht, door appellant ingediend tegen
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
bold

[naam 1] , te [plaats] , appellant,
zaaknummer: 18/999 20150
[naam 2] RA[naam 3] RA[naam 4] RA[naam 5] RA
(gemachtigden: mr. F.M.C. van der Velden en mr. W.K. van den Berg).
procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 23 april 2018, met nummers 16/2542, 16/2543, 16/2544 en 16/2545 Wtra AK (ECLI:NL:TACAKN:2018:22).Betrokkenen hebben een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
Bij brieven van 11 juni 2018, 26 oktober 2018, 12 november 2018 en 29 november 2018 heeft appellant het hogerberoepschrift aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2018.Appellant is verschenen. Betrokkenen zijn eveneens verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden.
Grondslag van het geschil

1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2
Appellant is werkzaam geweest voor de gemeente [gemeente] op basis van een aanstelling in de functie van [functie 1] van de dienst SoZaWe. Deze aanstelling is per 1 november 2008 omgezet in twee aanstellingen, te weten:- een vaste aanstelling voor onbepaalde tijd voor 13 uur per week in de functie van [functie 2] voor het Doorbraakdossier “Werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt”;- een tijdelijke aanstelling voor 27 uur per week in de functie van [functie 3] .
1.3
De vanaf 1 november 2008 voor deze aanstellingen geldende voorwaarden zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, gesloten tussen appellant en de gemeente [gemeente] , vertegenwoordigd door [naam 6] ( [naam 6] ), destijds algemeen directeur van de dienst SoZaWe van de gemeente [gemeente] , welke overeenkomst voor zover van belang het volgende bepaalt:
2. Werknemer zal deze functie uitoefenen tot uiterlijk 1 januari 2012. Uiterlijk 1 juli 2011 zullen met werknemer nadere afspraken worden gemaakt over zijn vervolgwerkzaamheden.(…)
5. Deze tijdelijke aanstelling (ex artikel 12, tweede lid, van het Ambtenarenreglement [gemeente] , AR) eindigt van rechtswege per 1 januari 2012. De aanstelling zal hierna niet worden verlengd of voortgezet, tenzij partijen voordien schriftelijk anders overeenkomen.(…)
9. Gedurende de looptijd van deze aanstelling is het werknemer toegestaan een eigen onderneming te starten en te houden. De door werknemer in deze onderneming verrichte werkzaamheden zullen worden aangemerkt als nevenwerkzaamheden als bedoeld in artikel 114 AR. De uit deze onderneming verworven inkomsten blijven gedurende de looptijd van deze aanstelling vrij van verrekening met de uit de aanstelling voortvloeiende bezoldiging.
10. Gedurende het kalenderjaar 2009 wordt werknemer in deze aanstelling voor maximaal 8 uur per week vrijgesteld van werkzaamheden ten behoeve van het in stand houden en ontwikkelen van de onder 9 bedoelde onderneming. Indien werknemer de uit die onderneming voortvloeiende nevenwerkzaamheden ook na 2009 in dezelfde omvang en op dezelfde werktijden voortzet, zal deze aanstelling in omvang worden teruggebracht van 27 naar 19 uur per week, dan wel naar rato als de omvang en werktijden zich wijzigen. De onder 7 bedoelde reis- en autokostenvergoeding zal bij aanpassing van de arbeidsduur naar evenredigheid worden vastgesteld.
11. Gedurende de duur van deze aanstelling zal werknemer in zijn hoedanigheid van zelfstandig ondernemer geen opdrachten aannemen van de gemeente [gemeente] en/of van het samenwerkingsverband van sociale diensten van de G4.”

II. ten aanzien van de tijdelijke aanstelling als [functie 3] geldt:

1.4
Aan appellant is gedurende de periode van 1 november 2008 tot 1 augustus 2011 door de gemeente [gemeente] een bezoldiging betaald op basis van een aanstelling van 40 uur per week. De aanstellingen van appellant zijn in onderling overleg (vervroegd) beëindigd per 1 augustus 2011. Tot dat moment was de aanstelling [functie 3] niet aangepast conform artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst.
1.5
Appellant was in de voor deze zaak relevante periode budgethouder voor de kostenplaatsen SZ2201 (Programmabureau Ketensamenwerking G4 Projecten Algemeen) en SZ6605 (Project Aanpak Jeugdwerkloosheid regio [regio] ).

1.6
In relatie tot zijn aanstelling als [functie 3] was appellant AKO-kernteamlid bij Divosa, een vereniging van gemeentelijke managers op het terrein van participatie, werk en inkomen. In die hoedanigheid heeft appellant een subsidieaanvraag gedaan voor het Programmamanagement Ketensamenwerking G4-G5 onder het zogenaamde AKO-budget, welke subsidie is toegekend (subsidie ID 159). Het van Divosa afkomstige document Administratieve organisatie Programmamanagement Ketensamenwerking G4-5 van 26 mei 2009 (hierna: AO-document) vermeldt dat appellant bevoegd is facturen goed te keuren die ten laste van dit project werden gebracht, met uitzondering van uitgaven die betrekking hebben op appellant zelf of door hemzelf verrichte uitgaven. Voor laatstbedoelde uitgaven was [naam 7] ( [naam 7] ), eerst financieel verantwoordelijke voor het AKO-budget, bevoegd.
1.7
Het budget van kostenplaats SZ6605 (Project Aanpak Jeugdwerkloosheid regio [regio] ) was, voor zover van belang, afkomstig van het Rijk. Op grond van het convenant “Regionale aanpak voorkomen en bestrijden jeugdwerkloosheid 2009-2011” van 9 september 2009 tussen de gemeente [gemeente] en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid trad de gemeente [gemeente] voor de op basis van dit convenant beschikbare middelen op als coördinerende gemeente. De gemeente [gemeente] had op grond daarvan verantwoordelijkheid voor de rapportage over de gezamenlijke inzet van middelen en instrumenten, de behaalde resultaten, en het bestuurlijke en administratieve beheer van de regiomiddelen.
1.8
Appellant is (indirect) bestuurder en enig aandeelhouder van [naam 8] B.V. ( [naam 8] ). Appellant heeft als [naam 8] bedragen in rekening gebracht bij derden-ondernemingen (door partijen ook wel aangeduid als tussenstations), welke derden-ondernemingen op hun beurt deze bedragen direct of via andere derden-ondernemingen hebben doorbelast aan Divosa en aan SoZaWe. De facturering door de derden-ondernemingen aan Divosa en SoZaWe vond in verschillende gevallen rechtstreeks op instructie van appellant plaats. De betreffende facturen van de derden-ondernemingen aan Divosa respectievelijk SoZaWe zijn, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, ter uitbetaling afgetekend of anderszins goedgekeurd door appellant (…)
1.9
De directie van het Cluster Werk en Inkomen (voorheen SoZaWe) van de gemeente [gemeente] heeft [naam 9] N.V. ( [naam 9] ) eind 2013 opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de feitelijke gang van zaken met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden in relatie tot appellant en aan hem gelieerde (rechts)personen over de periode 2009-2013. Daarbij werden, voor zover van belang, de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:- in hoeverre en op welke wijze zijn door appellant of aan hem gelieerde (rechts)personen overige vergoedingen ontvangen met betrekking tot verrichte werkzaamheden ten behoeve van activiteiten die zijn gerelateerd aan door of via de gemeente [gemeente] gefinancierde projecten?- wat is de rol van appellant geweest bij het aanwenden van middelen voor projecten die door de gemeente [gemeente] zijn gefinancierd?
1.10
Betrokkenen waren destijds allen werkzaam bij [naam 9] , en hebben betrokkenheid gehad bij de totstandkoming en/of uitvoering van deze opdracht. Betrokkene [naam 2] heeft namens [naam 9] appellant bij brief van 9 december 2013 verzocht om zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen.

1.11
Aan appellant zijn in het kader van het onderzoek op 23 januari 2014 schriftelijk vragen voorgelegd die hij heeft beantwoord bij brief van 12 februari 2014. [naam 9] heeft op 25 maart 2015 een eerste conceptrapport uitgebracht, waarop appellant bij brief van 16 april 2015 heeft gereageerd (hierna: het wederhoorcommentaar). Op 10 juni 2015 heeft [naam 9] een tweede conceptrapport uitgebracht, en op 17 juli 2015 haar definitieve rapport (hierna: het rapport of [naam 9] -rapport).
1.12
Het [naam 9] -rapport identificeert, voor zover voor de onderhavige procedure van belang, de navolgende bedragen die [naam 8] in rekening heeft gebracht bij derden-ondernemingen, en die deze derden-ondernemingen direct of via andere derden-ondernemingen hebben doorbelast aan Divosa respectievelijk SoZaWe (alle bedragen inclusief btw):
4

colA

colB

colC

colD

Ten laste van

Derden-onderneming

Specificatie

Bedrag

Divosa

[naam 10]

1 factuur, juli 2010

€ 29.750


[naam 11]

3 facturen, januari/februari 2010

€ 208.012


[naam 12]

1 factuur, o.b.v. mondelinge verklaring

€ 47.600

Subtotaal

€ 285.362

SoZaWe

[naam 10]

6 facturen, februari/augustus 2011

€ 193.399


[naam 11]

2 facturen, september/december 2010

€ 260.253


[naam 13]

3 facturen, april 2010/augustus 2011

€ 52.737


[naam 14]

1 factuur, juli 2011

€ 99.960

subtotaal

€ 561.349

TOTAAL

€ 846.711

1.13
[naam 9] heeft ten behoeve van haar onderzoek gesproken met [naam 6] . Over diens verklaringen vermeldt het rapport, voor zover van belang, het volgende:
“ Het plan van aanpak Jeugdwerkloosheid voorzag volgens de heer [naam 6] in een reeks van activiteiten met daarbij behorende investeringen. De heer [naam 1] moest die activiteiten volgens de heer [naam 6] tot uitvoering brengen door de middelen aan de activiteiten te koppelen. De heer [naam 6] heeft desgevraagd medegedeeld dat hij niet toegestaan zou hebben dat er voor de regio [regio] in te zetten middelen direct of wel indirect naar de heer [naam 1] zouden zijn toegevloeid. De heer [naam 6] geeft aan dat dit zijns inziens niet mogelijk zou kunnen zijn vanuit de aanstelling die de heer [naam 1] op dat moment had uit hoofde van de met de gemeente [gemeente] gesloten vaststellingsovereenkomst en als daar in een bijzondere situatie wel aanleiding voor zou zijn geweest in ieder geval volledige transparantie door de heer [naam 1] had moeten worden betracht.(…)

In een op 18 maart 2014 met hem gehouden interview heeft de heer [naam 6] , voormalig directeur SoZaWe, aangegeven dat hij in zijn hoedanigheid als bestuurslid van Divosa destijds geen kennis had van door [naam 8] aan Divosa geleverde prestaties. Een dergelijke dienstverlening vanuit [naam 8] had volgens de heer [naam 6] , als die al zou hebben plaatsgevonden, door de heer [naam 1] in het kader van te betrachten transparantie aan hem moeten zijn gecommuniceerd.(…)

In een met hem gehouden interview heeft de heer [naam 6] (voormalig directeur SoZaWe en voormalig lid hoofdbestuur AKO) medegedeeld dat het zijns inziens niet de bedoeling kan zijn geweest dat er middelen van Divosa naar [naam 8] zouden toevloeien.(…)

De heer [naam 6] , in zijn hoedanigheid als leidinggevende van de heer [naam 1] , heeft aangegeven geen inzicht te hebben gehad in de indirecte geldstromen tussen de juridische entiteiten van de heer [naam 1] en dienstverleners van SoZaWe. De heer [naam 6] heeft daarbij verklaard dat dergelijke indirecte geldstromen, bezien vanuit het toen ter tijd aanwezige dienstverband van de heer [naam 1] met de gemeente [gemeente] , onwenselijk zijn.”

1.14
Aan de hiervoor in 1.12 vermelde factureringen (die door [naam 9] ook als indirecte geldstromen worden aangeduid) geeft het [naam 9] -rapport de classificatie “geen gebleken prestatie geleverd”. Deze classificatie is volgens het rapport (p. 13) gelegen “in het gegeven dat de door de heer [naam 1] gefactureerde werkzaamheden vanuit [naam 8] deel uitmaken van de dienstbetrekking van de heer [naam 1] zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, dan wel de op de factuur vermelde prestatie in het geheel niet is geleverd en daarmee de zakelijke grondslag voor de factureringen vanuit [naam 8] ontbreekt.” Over deze factureringen wordt (op p. 15) voorts vastgesteld: “Door middel van het inzetten van derde partijen (…) was het voor de gemeente [gemeente] en/of Divosa niet zichtbaar welke indirecte geldstromen door de aan de heer [naam 1] toebehorende of gelieerde rechtspersonen zijn ontvangen van aan die derde partijen verzonden facturen (…). Voor zover de vaststellingsovereenkomst ruimte biedt eigen activiteiten te ontplooien vanuit [naam 8] had het in de rede gelegen dat de heer [naam 1] , ten aanzien van deze werkzaamheden, volledige transparantie zou hebben betracht en deze werkzaamheden niet (via derde partijen) maar direct aan de gemeente [gemeente] en/of Divosa zou hebben gefactureerd.” In de leeswijzer van het rapport (p. 5) wordt uitgelegd dat een verwijzing naar “middelen van en naar de gemeente [gemeente] (…) betrekking heeft op middelen die behoren tot en/of in beheer zijn van de gemeente [gemeente] .”
1.15
Naast de hiervoor in 1.12 vermelde factureringen identificeert het rapport nog andere factureringen door [naam 8] en andere ondernemingen van (onder anderen) appellant, waarbij [naam 9] geen bemerkingen heeft, of waarbij zij (slechts) onduidelijkheden identificeert wat betreft de geleverde prestaties.
1.16
Bij arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:829) heeft het Gerechtshof Den Haag, onder meer, (-) het vonnis van de rechtbank [gemeente] van 26 augustus 2015, voor zover het betreft de hoofdelijke veroordeling van appellant en zijn vennootschappen [naam 8] B.V. en [naam 15] B.V. tot betaling aan de gemeente [gemeente] van een bedrag van € 654.500,-, vermeerderd met wettelijke rente, vernietigd, (-) appellant en zijn genoemde vennootschappen hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de gemeente [gemeente] van het bedrag van € 99.960,-, vermeerderd met wettelijke rente, en (-) het vonnis van de rechtbank [gemeente] van 26 augustus 2015 voor het overige bekrachtigd, met de bepaling dat [naam 8] en [naam 15] op grond van de veroordelingen tot betaling van een geldsom gehouden zijn tot betaling van maximaal € 746.373,95.
Uitspraak van de accountantskamer

2.1
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, bestaat uit de volgende veertien onderdelen.
arabic

Het onderzoek is gebrekkig; het rapport is niet goed te begrijpen zonder nadere gegevens, die niet zijn opgenomen in het rapport.

Betrokkenen hebben geen oog gehad voor de objectieve waarheidsvinding en uitsluitend het belang van de opdrachtgever gediend.

Het rapport geeft geen evenwichtige weergave van de feiten en omstandigheden in de juiste context. Hierdoor wordt de objectieve waarheidsvinding door de rechter belemmerd.

Betrokkenen hebben onvoldoende hoor en wederhoor toegepast en zich onvoldoende rekenschap gegeven van het wederhoorcommentaar van appellant.

Betrokkenen hebben verkeerde conclusies verbonden aan het wederhoorcommentaar van appellant.

Appellant heeft ten onrechte niet de gelegenheid gekregen om stukken of bescheiden (zoals gespreksverslagen van de interviews) in te zien.

Met toestemming van [naam 9] wordt een ondeugdelijk en onvolledig conceptrapport gebruikt in een lopende juridische procedure, zodat de objectieve waarheidsvinding wordt belemmerd.

Het rapport bevat ten onrechte geen voorbehouden of beperkingen.

Bij de afhandeling van de door appellant bij [naam 9] ingediende klacht is door [naam 9] niet inhoudelijk op de klachten gereageerd.

Betrokkenen hebben geen onderzoek gedaan naar de melding van appellant dat de gemeente [gemeente] , tegen de afspraken van het Convenant Jeugdwerkloosheid in, een bedrag van EUR 1,3 miljoen dat bestemd was voor de regio, heeft gebruikt voor de dekking van eigen gemeentelijke tekorten.

Appellant heeft het definitieve rapport niet ter beschikking gekregen.

[naam 9] heeft zich in januari 2014 ten onrechte bij haar opdrachtgever beklaagd over het gebrek aan medewerking van appellant.

[naam 9] heeft op 12 oktober 2016 ten onrechte geschreven dat het wederhoorcommentaar van appellant in hoofdstuk 9 van het (tweede concept)rapport is samengevat.

[naam 9] heeft op 12 oktober 2016 ten onrechte geschreven dat het commentaar van appellant integraal als bijlage bij het rapport is gevoegd om de lezer in staat te stellen kennis te nemen van zijn visie.

2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard.
overwegingen

Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3. Tegen de bestreden uitspraak heeft appellant elf grieven ingediend. Het College stelt voorop dat appellant geen grieven heeft ingediend tegen het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van de klachtonderdelen 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13 en 14. Evenmin is het hoger beroep van appellant gericht tegen rechtsoverweging 4.64 van de bestreden uitspraak, voor zover de accountantskamer heeft geconcludeerd dat de klachtonderdelen 1 tot en met 5 ten aanzien van betrokkene [naam 2] ongegrond zijn, reeds omdat zij bij de formulering van het rapport geen betrokkenheid heeft gehad.
4. Grief 1
Voorts stelt het College, evenals de accountantskamer in rechtsoverweging 4.8 van de bestreden uitspraak, voorop dat in deze procedure ter beoordeling staat of betrokkenen de classificatie die zij aan de door hen geconstateerde feiten hebben verbonden, luidend dat de gefactureerde werkzaamheden vanuit [naam 8] deel uitmaken van de dienstbetrekking van appellant dan wel dat de op de factuur vermelde prestatie in het geheel niet is geleverd en daarmee de zakelijke grondslag voor factureringen vanuit [naam 8] ontbreekt, ten tijde van het uitbrengen van het rapport van 17 juli 2015 op basis van de toen beschikbare informatie konden handhaven dan wel nader onderzoek hadden moeten verrichten alvorens (definitief) te rapporteren.

4.1
De eerste grief van appellant richt zich tegen het feit dat de accountantskamer in paragraaf 2.4 van de bestreden uitspraak niet heeft vastgesteld dat het budgethouderschap van appellant bij de gemeente [gemeente] voor de kostenplaatsen SZ2201 (Programmabureau ketensamenwerking G4 projecten algemeen) en SZ6605 (Project aanpak jeugdwerkloosheid regio [regio] ) in duur beperkt was tot 1 januari 2011 en dit feit vervolgens niet bij haar oordeel heeft meegewogen. De overweging van de accountantskamer dat hij de facturen van de derden-ondernemingen heeft goedgekeurd en ten laste heeft gebracht van de budgetten waarover hij als budgethouder kon beschikken kan volgens appellant geen stand houden, omdat hij gedurende de periode van zijn budgethouderschap geen facturen heeft goedgekeurd en geen facturen ten laste heeft gebracht van budgetten waarover hij als budgethouder kon beschikken. Volgens appellante bestaat er geen grond voor het aan de facturen van [naam 8] verbinden van de classificatie ‘geen gebleken prestatie geleverd’. De bestreden uitspraak – meer bepaald de overwegingen 4.6, onder e, 4.13, 4.14, 4.23, 4.25, 4.29, 4.30, 4.41, 4.52, 4.54, 4.57 en 4.58 – steunt op onjuiste gronden.
4.2
Het College overweegt dat [naam 9] ten aanzien van de kostenplaatsen SZ2201 en SZ6605 inderdaad heeft gerapporteerd dat appellant tot januari 2011 formeel tekeningsbevoegd was. Het is juist dat de accountantskamer dit feit niet in paragraaf 2.4 van de bestreden uitspraak heeft vermeld. Ook indien dit als een omissie van de accountantskamer zou zijn aan te merken, leidt dat niet tot de conclusie dat de eerste grief van appellant terecht is voorgedragen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de accountantskamer aan dit formele feit de gevolgtrekking had moeten verbinden dat appellant de facturen van de derden-ondernemingen niet heeft kunnen goedkeuren en laste van de budgetten heeft kunnen brengen. Uit het rapport blijkt voldoende overtuigend dat appellant het goedkeuren en ten laste van de budgetten brengen van de facturen na 1 januari 2011 feitelijk heeft voortgezet. Grief 1 slaagt niet.
5. Grief 2

5.1
De tweede grief van appellant is gericht tegen de vaststelling – in paragraaf 2.7 van de bestreden uitspraak – dat de betreffende facturen van de derden-ondernemingen aan respectievelijk Divosa en SoZaWe, voor zover voor de onderhavige zaak van belang, ter uitbetaling zijn afgetekend of anderszins zijn goedgekeurd door appellant en zijn uitbetaald ten laste van budgetten waarover hij als budgethouder kon beschikken. Dit is volgens appellant onjuist. Niet alleen heeft hij, zoals gesteld in grief 1, gedurende zijn budgethouderschap geen enkele factuur van een derde-onderneming ter uitbetaling afgetekend of anderszins goedgekeurd, maar bovendien was hij daar als budgethouder ook niet toe bevoegd. Uit de destijds geldende regelgeving van de gemeente [gemeente] , die ten onrechte niet bij het onderzoek is betrokken – te weten de algemene regeling inkoop van 28 augustus 2007, de beschrijving inkoopprocessen van 2 november 2007 en de beschrijving functiescheiding in relatie tot inkoop- en bestelproces van 26 juni 2007 – blijkt dat de bevoegdheid om facturen goed te keuren of voor uitbetaling te tekenen of over budgetten te beschikken niet bij de budgethouder lag. Ook uit het feit dat zijn aanstelling niet in het Bevoegdhedenbesluit SoZaWe was opgenomen blijkt dat appellant weliswaar budgethouder was, maar bij gebrek aan mandaat geen enkele bevoegdheid had. De facturen van de derden-ondernemingen aan Divosa zijn allemaal door de budgethouder ( [naam 7] ) geaccordeerd en voor aanwezigheid van de vereiste accordering beoordeeld door de controller [naam 16] ( [naam 16] ). De facturen van de derden-ondernemingen zijn ook niet anderszins door appellant goedgekeurd. Ook ten aanzien van het budget van Divosa AKO subsidie ID-159 geldt naar de mening van appellant dat de accountantskamer van onjuiste feiten is uitgegaan en haar oordeel dienaangaande niet in stand kan worden gelaten.
5.2
Naar het oordeel van het College moet worden geconstateerd dat de facturen waaraan de classificatie ‘geen gebleken prestatie geleverd’ is verbonden door appellant ofwel voor akkoord zijn getekend ofwel via e-mail zijn gefiatteerd. Voor zover appellant stelt dat het ontbreken van de formele bevoegdheid daartoe aan het accorderen van de facturen in de weg heeft gestaan, overweegt het College dat in het rapport over de feitelijke gang van zaken is gerapporteerd, zoals die tijdens het feitenonderzoek naar voren is gekomen uit onder meer de verklaringen die door de daarbij betrokken personen zijn afgelegd. De omstandigheid dat bevoegdheden formeel niet of anders waren geregeld, doet niet af aan de juistheid van hetgeen ten aanzien van de feitelijke gang van zaken is geconstateerd. Ook grief 2 slaagt niet.
6. Grief 3

6.1
In zijn derde grief voert appellant aan dat de accountantskamer bij de beoordeling van de klacht ten onrechte heeft overgenomen het feit genoemd in overweging 4.6, onder e, van de bestreden uitspraak dat [naam 9] bij de classificatie ‘geen gebleken prestatie geleverd’ heeft betrokken, en aan die classificatie ten grondslag heeft gelegd, dat (e) “Appellant (…) de facturen van de derden-ondernemingen [heeft] goedgekeurd en ten laste gebracht van budgetten waarover hij als budgethouder kon beschikken. Deze budgetten waren beschikbaar enerzijds op grond van een subsidie via het Programmamanagement Ketensamenwerking G4-G5, waarin ook de sociale diensten van de G4 participeerden (...) en anderzijds op grond van door het Rijk beschikbaar gestelde gelden, ter zake waarvan de gemeente [gemeente] als coördinerende gemeente optrad (...)”.
6.2
Het College stelt vast dat de derde grief van appellant slechts een herhaling is van hetgeen appellant in de grieven 1 en 2 naar voren heeft gebracht. Deze grief behoeft daarom geen bespreking. Het College verwijst naar hetgeen in het vorenstaande ten aanzien van de eerste twee grieven is overwogen.
7. Grief 4

7.1
De vierde grief van appellant bestrijdt de vaststelling – in paragraaf 2.5 van de bestreden uitspraak – dat appellant “[i]n relatie tot zijn aanstelling als [functie 3] (…) AKO-kernteamlid was bij Divosa, een vereniging van gemeentelijke managers op het gebied van participatie, werk en inkomen.” Volgens appellant is de veronderstelling dat het lidmaatschap van het kernteam in verband stond met of in betrekking stond tot zijn aanstelling als [functie 3] onjuist en heeft [naam 9] die relatie ook niet aangetoond. De relatie blijkt volgens appellant niet en kan ook niet blijken uit de verklaring van de enige bron van [naam 9] , de huidig directeur van Divosa, en evenmin uit de na zijn toetreding tot het AKO-kernteam opgestelde vaststellingsovereenkomst, waarin de vanaf 1 november 2008 voor zijn aanstellingen bij de gemeente [gemeente] geldende voorwaarden zijn vastgelegd.
7.2
Naar het oordeel van het College doet hetgeen appellant in zijn vierde grief naar voren heeft gebracht niet af aan de vaststelling dat hij in de betrokken periode AKO-kernteamlid was bij Divosa. Duidelijk is dat appellant op grond van zijn aanstelling als ambtenaar – eerst als [functie 1] , later als [functie 3] – tot dit kernteam is toegetreden. Dat hij vóór zijn aanstelling als programmadirecteur al lid was van het kernteam, maakt dit niet anders. Grief 4 slaagt niet.
8. Grief 5

8.1
Met zijn vijfde grief komt appellant op tegen de vaststelling – in paragraaf 2.5 van de bestreden uitspraak – dat hij in zijn hoedanigheid van AKO-kernteamlid een subsidieaanvraag heeft gedaan voor het Programmamanagement Ketensamenwerking G4-G5 onder het zogenaamde AKO-budget, welke subsidie is toegekend (subsidie ID 159). Appellant stelt dat hij de subsidie, gezien de vermelding op de laatste bladzijde van de aanvraag, niet als AKO-kernteamlid maar als [functie 3] [gemeente] heeft aangevraagd. Ook het van Divosa afkomstige document Administratieve organisatie Programmamanagement Ketensamenwerking G4-5 van 26 mei 2009 (AO-document) spreekt over hem als [functie 3] [gemeente] . Appellant stelt dat Divosa hem juist persoonlijk als aanvrager van subsidie ID 159 heeft aangemerkt. Het feit dat hij blijkens het overzicht AKO-aanvragen als persoon voor het gehele subsidiebedrag met zijn persoonlijke e-mailadres als aanvrager is geregistreerd, betekent volgens appellant dat er een besluit van het AKO-bestuur of Divosa moet zijn waaruit blijkt dat hij persoonlijk (op persoonlijke titel) de beschikking heeft gekregen over de subsidie ID 159. [naam 9] heeft dit ten onrechte niet onderzocht. Appellant is van mening dat uit zowel de aanvraag zelf als uit het overzicht AKO-aanvragen blijkt dat hij over deze subsidie kon beschikken als aanvrager, maar niet als budgethouder of als kernteamlid of als [functie 3] . Verder is volgens appellant duidelijk dat dit inhield dat hij als aanvrager bevoegd was om alle facturen te accorderen, inclusief facturen van hemzelf of voor door hem gedane uitgaven.
8.2
Het College stelt vast dat de accountantskamer in paragraaf 2.5 van de bestreden uitspraak heeft geconstateerd dat appellant “In relatie tot zijn aanstelling als [functie 3] (…) AKO-kernteamlid bij Divosa” was en “In die hoedanigheid (…) een subsidieaanvraag [heeft] gedaan voor het Programmamanagement Ketensamenwerking G4-G5 onder het zogenaamde AKO-budget. Voor zover deze constatering moet worden gelezen als zou appellant de subsidieaanvraag in zijn hoedanigheid van AKO-kernteamlid hebben gedaan, stemt die lezing overeen met paragraaf 6.2 van het rapport, waarin is opgenomen dat appellant in reactie op de aan hem voorgelegde conceptbevindingen van 25 maart 2015 liet weten dat het subsidiebedrag als één ongedeeld budget aan het kernteamlid ter beschikking werd gesteld. Wat hiervan zij, in de subsidieaanvraag van 14 januari 2009 staat dat de aanvraag “T.b.v. de Directies van de G4, en het Werkbedrijf i.o.” en namens het Programma-management Ketensamenwerking G4-G5 is ingediend door appellant in zijn functie van [functie 3] [gemeente] . De aanvraag vermeldt appellant overigens ook (met die functienaam) als de ‘creditcardhouder’ die de subsidieaanvraag heeft goedgekeurd. Het enkele feit dat het overzicht AKO-aanvragen het persoonlijke e-mailadres van appellant vermeldt, brengt niet mee dat het toegekende budget (de subsidie ID 159) niet aan appellant als AKO-kernteamlid of als [functie 3] ter beschikking zou zijn gesteld, maar aan hem persoonlijk. Het is volstrekt onaannemelijk dat dit het geval is geweest. De stelling van appellant dat het hem tegen die achtergrond vrij zou hebben gestaan ook de door hem gedane uitgaven of van hem of van zijn onderneming afkomstige facturen te accorderen, gaat dan ook niet op. Zoals in de door hem bestreden paragraaf 2.5 van de bestreden uitspraak (en paragraaf 6.2 van het rapport) terecht is opgenomen, is in het AO-document geregeld dat appellant in zijn hoedanigheid van [functie 3] bevoegd was verplichtingen aan te gaan en facturen goed te keuren die ten laste van het project Ketensamenwerking werden gebracht, met uitzondering van uitgaven die betrekking hebben op appellant zelf of door hemzelf verrichte uitgaven, voor welke laatste uitgaven [naam 7] als eerstverantwoordelijke voor het AKO-budget bevoegd was. Grief 5 slaagt evenmin.
9. Grief 6

9.1
De zesde grief van appellant is gericht tegen het feit dat de accountantskamer naar zijn mening ten onrechte voor de beoordeling van de klacht relevante feiten met betrekking tot kostenplaats SZ6605 (regionale jeugdwerkloosheid) buiten beschouwing heeft gelaten. Dit betreft ten eerste het feit dat een verslag is opgesteld van het Bestuurlijk overleg regionaal arbeidsmarktbeleid [gemeente] - [regio] van 24 juni 2009. Ten tweede is buiten beschouwing gelaten het feit dat het Convenant Jeugdwerkloosheidsbeleid is opgesteld en op 9 september 2009 is ondertekend door de wethouder van de gemeente [gemeente] en de Staatssecretaris van het Ministerie van SZW. Ten derde is volgens appellant van belang het feit dat een Regionaal Actieplan is opgesteld. Ten vierde is ook het feit dat er een verslag is opgesteld van het bestuurlijk overleg van 20 januari 2010 ten onrechte niet in het onderzoek van [naam 9] betrokken. Ook is, ten vijfde, geen aandacht besteed aan het feit dat tijdens dit bestuurlijk overleg een presentatie is gehouden. Ten zesde is genegeerd het feit dat een verslag is opgesteld van het bestuurlijk overleg van 25 februari 2010. Ten zevende, achtste en negende zijn er de verklaringen afgelegd door [naam 17] op 1 juni 2014, door [naam 18] op 22 mei 2014 en door [naam 19] op 22 mei 2014. Het tiende feit waaraan geen aandacht is besteed is de e-mail van [naam 20] van 14 maart 2011. Ten elfde wijst appellant op het feit dat een format is vastgesteld voor de monitor-rapportage. Ten twaalfde, dertiende, veertiende en vijftiende is onvoldoende aandacht besteed aan de facturen van [naam 10] aan [gemeente] (op 14 juni 2010 en 26 september 2010), de factuur van [naam 10] aan Shared Service Center Financiën op 9 december 2010 en de factuur van [naam 11] aan [gemeente] op 27 september 2010. Dit geldt, ten zestiende, ook voor de factuur van [naam 10] aan [gemeente] van 20 april 2011. Ten zeventiende tot en met twintigste hebben de facturen van [naam 14] / [naam 21] van respectievelijk 13, 15 en 19 april 2011 voor telkens € 119.000 en van 18 april 2011 voor € 130.900 onvoldoende aandacht gekregen. Zo ook, ten eenentwintigste, de factuur aan [gemeente] van [naam 13] van 18 april 2011.
Volgens appellant blijkt uit de eerste negen feiten en het elfde feit, samengevat, dat de regionale aanpak van de jeugdwerkloosheid in de regio [regio] plaatsvond onder regie en verantwoordelijkheid van de regio. De uitvoering en implementatie (inzet, aanwending, besteding en verantwoording van het budget SZ6605) vond plaats door en onder verantwoordelijkheid van de regio. De zeggenschap en besluitvorming over de middelen berustten niet bij de gemeente [gemeente] . De gemeente [gemeente] had alleen het administratief beheer van de regiomiddelen. Deze verantwoordelijkheid was beperkt tot het op verzoek of in opdracht van de regionale actieve werkgroep – aan wie de gehele verantwoordelijkheid voor de uitvoering van SZ6605 door het Bestuurlijk overleg was overgedragen – uitbetalen van middelen ten laste van kostenplaats SZ6605 voor opdrachten of projecten waartoe de regionale actieve werkgroep, die bevoegd was de afgesproken maatregelen (vanuit het regionaal plan) verder uit te werken, van concrete acties te voorzien en deze te implementeren, had besloten. Deze uitbetaling vond plaats op basis van een summiere, marginale toets door de budgethouder. De [gemeente] gemeentelijke middelen waren geoormerkt als kostenplaats SZ1400. Binnen de regionale aanpak werden derden-ondernemingen ingezet om marktpartijen de ruimte te bieden activiteiten te verrichten van het regionaal plan die gemeenten niet konden of wilden oppakken. De mogelijkheid van vooruit betalen is in het regionale overleg aan de orde geweest. Tevens is tot de inzet van tussenstations besloten. Binnen dit gremium was volgens appellant bekend dat hij commerciële werkzaamheden ten laste van het regionale budget jeugdwerkloosheid uitvoerde.

Ten aanzien van het tiende feit stelt appellant dat uit de e-mail van [naam 20] (hoofd van de afdeling [naam 22] van SoZaWe) van 14 maart 2011 blijkt dat de constructie met [naam 14] / [naam 21] als tussenstation door hem en [naam 23] is bedacht. De facturen van 13 (2x), 15, 18 en 19 april 2011 van [naam 14] / [naam 21] voor respectievelijk € 130.900, € 119.000, € 119.000, € 166.600 en € 119.000 zijn op verzoek van laatstgenoemde – en niet van appellant – aan [naam 22] /SoZaWe verzonden. De handtekening van appellant op de facturen kan slechts betekenen dat hij heeft aangegeven dat ze pasten binnen het regionaal actieplan werkloosheid en dat hij als projectleider conform zijn opdracht de marginale toets heeft uitgevoerd. Met de als twaalfde tot en met vijftiende genoemde feiten bedoelt appellant erop te wijzen dat alle facturen een inkoopnummer en een datum ontvangststempel van Shared Service Financiën hebben gekregen. Daaruit blijkt dat het systeem van functiescheiding en scheiding van bevoegdheden in de periode 2009-2011 operationeel was. Appellant heeft deze facturen niet getekend. Ook de ten zestiende tot en met eenentwintigste genoemde facturen hebben een inkoopnummer en stempel. De handtekening van appellant is volgens hem slechts in het kader van bovengenoemde marginale toets gezet.

9.2
Appellant heeft ondanks zijn zeer uitvoerige toelichting niet inzichtelijk gemaakt waarom deze door hem gestelde feiten en omstandigheden van betekenis zijn voor de beoordeling van de vraag of het rapport onjuist of anderszins onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hetgeen appellant omtrent de ambtelijke bevoegdheden naar voren heeft gebracht, doet niet af aan de door de onderzoekers geconstateerde feitelijke gang van zaken. Grief 6 treft geen doel.
10. Grief 7

10.1
De zevende grief van appellant houdt in dat de accountantskamer naar zijn mening ten onrechte voor de beoordeling van de klacht relevante feiten met betrekking tot de AKO-subsidie ID 159 van Divosa buiten beschouwing heeft gelaten. Dit betreft volgens appellant een zestal feiten, te weten dat (1) een AKO-procedure is vastgesteld, (2) Divosa een overzicht van alle AKO-aanvragen heeft opgesteld, (3) [naam 10] op 15 december 2009 een factuur aan Divosa heeft gestuurd, en (4, 5 en 6) [naam 11] een factuur aan Divosa heeft gestuurd op 4 december 2009 (€ 83.300), 4 december 2009 (€ 57.120) en 28 december 2009 (€ 71.400).
Appellant stelt, samengevat, dat het maatwerk genoemd in de AKO-procedure, waarnaar het kernteamlid samen met de werkpleinen op zoek kan gaan, eruit heeft bestaan de aangevraagde subsidie ID 159 (die eind 2009 zou aflopen) veilig te stellen door het inzetten van [naam 11] en [naam 10] als tussenstations. Appellant stelt dat het een bijzondere subsidie betrof, aangezien de gelden niet aan een van de G4 werden overgemaakt of op kostenplaats SZ2201 terecht zijn gekomen, maar op de rekening van Divosa zijn blijven staan. Bovendien was appellant persoonlijk (en niet als kernteamlid of als gemeenteambtenaar) als aanvrager voor het gehele beschikbare budget AKO ID 159 aangemerkt. Het gehele beschikbare budget werd volgens appellant aan hem persoonlijk ter beschikking gesteld. Gelet hierop kon hij zelfstandig over de aanwending van de subsidie beslissen en hoefde hij daar geen verantwoording over af te leggen aan Divosa. Op geen van de genoemde facturen staan werkzaamheden die appellant in het kader van zijn aanstelling als [functie 3] of deelname aan het AKO-overleg had moeten uitvoeren.

10.2
Het College heeft hiervoor al geoordeeld dat het feit dat appellant vanaf 1 januari 2011 formeel geen budgethouder meer was niet afdoet aan de geconstateerde feitelijke gang van zaken en tevens dat volstrekt onaannemelijk is dat het AKO-budget een appellant persoonlijk toekomend budget was waarover hij vrij mocht beschikken. Voor zover appellant stelt dat het wijzigen van de bestemming van gelden, het gebruik van tussenstations en het inschakelen van zijn vennootschap voor alle betrokkenen steeds transparant is geweest, is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de bij Divosa en de gemeente [gemeente] budgettair (mede)verantwoordelijken hebben verklaard daar niet van op de hoogte te zijn geweest. De thans in hoger beroep door appellant ten bewijze van zijn stelling overgelegde notulen van de actieve werkgroepvergaderingen, die juist op dit punt afwijken van de notulen waarover de onderzoekers beschikten, roepen op zichzelf vragen op. Wat daar echter van zij, vastgesteld moeten worden dat ten tijde van het onderzoek deze (versie van de) notulen de onderzoekers niet ter beschikking hebben gestaan en dat uit toen beschikbare informatie niet van bedoelde transparantie bleek. Van feiten of omstandigheden die de onderzoekers aanleiding had moeten geven het bestaan van meer of andere notulen nader te onderzoeken, is het College niet gebleken. Grief 7 slaagt niet.
11. Grief 8

11.1
De achtste grief van appellant is in de eerste plaats gericht tegen het (hierna onderstreepte) slot van overweging 4.25 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer heeft overwogen dat (ook) het verwijt van appellant dat [naam 9] ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet duidelijk is welke prestaties [naam 8] heeft geleverd, dan wel dat geen prestaties zijn geleverd in zoverre feitelijke grondslag mist,
“ aangezien [naam 9] die conclusie niet trekt, maar uitsluitend vaststelt dat er ter zake van de gedeclareerde werkzaamheden onduidelijkheid is over prestaties, in die zin dat in het geheel geen prestatie is geleverd, dan wel dat de geleverde prestaties zijn geleverd in het kader van de ambtelijke aanstellingen van [appellant]. De klacht dat [naam 9] ten onrechte concludeert dat er onduidelijkheden waren met betrekking tot bepaalde prestaties (buiten die welke (…) in 2.11 en 2.13 [van de bestreden uitspraak] zijn beschreven), licht [appellant] in het kader van dit verwijt niet verder toe. Zijn klacht dat volgens [naam 9] voor het overige in het geheel geen prestaties zijn geleverd, ontbeert zoals gezegd feitelijke grondslag. Of ter zake van de in 2.11 vermelde facturen überhaupt prestaties zijn geleverd, is daarom op zichzelf niet beslissend. Het verwijt is om die reden al ongegrond.”

Appellant stelt dat de door de accountantskamer genoemde omstandigheid zich gedurende zijn budgethouderschap ten aanzien van de kostenplaatsen SZ6605 en SZ2201 niet heeft voorgedaan. Bij Divosa was hij geen budgethouder en heeft niet hij, maar [naam 7] als budgethouder voor de facturen getekend. Volgens appellant is de overweging van de accountantskamer in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

In de tweede plaats is de achtste grief van appellant gericht tegen overweging 4.45 van de bestreden uitspraak, in het bijzonder tegen de overweging van de accountantskamer ten aanzien van de stelling van appellant, genoemd in overweging 4.53, onder e, dat (ook) [naam 6] en [naam 16] vonden dat Divosa niet zelf over de (uiteindelijke) aanwending van de AKO-middelen besliste, maar de individuele kernteamleden. De accountantskamer heeft volstaan met de overweging dat die stelling klopt en dat het rapport ook niet anders vermeldt. Volgens appellant is deze overweging in strijd met het vereiste van een zorgvuldig onderzoek van alle relevante feiten en belangen en in strijd met het motiveringsbeginsel. Uit deze overweging blijkt dat de accountantskamer zich niet heeft verdiept in het document overzicht AKO-aanvragen en het feit dat appellant door Divosa persoonlijk als aanvrager en als kernteamlid werd gezien en daar geen probleem mee had. De daarmee gepaard gaande ontbrekende zeggenschap van Divosa (die appellant gemotiveerd heeft aangetoond omdat het AO-document niet op hem van toepassing was en dat ook niet had kunnen zijn) had tot nader onderzoek en een andere beoordeling van de verklaring van [naam 16] moeten leiden, omdat er bij het niet van toepassing zijn van het AO-document kennelijk nadere afspraken met appellant waren gemaakt over zijn bevoegdheid om facturen te accorderen. Volgens appellant zou budgethouderschap betekenen dat Divosa niet de bevoegdheid had om een AO-document voor de AKO-subsidie ID 159 op te stellen en ook niet de bevoegdheid had om van appellant als kernteamlid te vragen facturen voor uitgaven die betrekking hadden op hem zelf of door hem verrichte uitgaven ter accordering aan [naam 7] voor te leggen, tenzij dit uit het subsidiebesluit van het AKO-bestuur op de subsidieaanvraag ID 159 zou blijken of appellant zelf uit eigen beweging een daartoe strekkende overeenkomst met Divosa zou hebben getekend. Beide situaties zijn echter niet aan de orde en ook niet onderzocht.

De achtste grief is in de derde plaats gericht tegen de overwegingen 4.34 en 4.35 van de bestreden uitspraak. Dit betreft, samengevat, het oordeel dat aan de verklaring van [naam 24] ( [naam 24] ) terecht niet de waarde is toegekend die appellant daaraan toegekend wenst te zien.

In de vierde plaats is de achtste grief gericht tegen hetgeen de accountantskamer ten aanzien van het document ‘Administratieve organisatie Programmamanagement ketensamenwerking’ heeft overwogen. Volgens appellant is het AO-document niet van toepassing op de AKO-subsidie ID 159, omdat Divosa hem persoonlijk als aanvrager van deze subsidie heeft aangemerkt. Dit sluit een procedure als beschreven in het AO-document uit. Appellant stelt dat het AO-document ziet op een subsidie die niet aan [gemeente] of een andere G4 gemeente is toegekend of betaald. Bovendien ontbreekt het betreffende AKO-subsidiebesluit met betrekking tot de toekenning van AKO-subsidie ID 159 bij het rapport, zodat het rapport niet duidelijk maakt aan wie en onder welke condities deze subsidie is toegekend. Het AO-document kan al om deze reden niet dienen als geautoriseerd AO-document. Alleen al die omstandigheid had [naam 9] tot nader onderzoek moeten leiden. Het in de bestreden uitspraak vermelde in overweging 4.6, onder f (te weten dat [naam 9] bij de classificatie heeft betrokken en aan die classificatie ten grondslag heeft gelegd het feit dat het AO-document van Divosa vermeldt dat [naam 7] bevoegd is ter zake van uitgaven die betrekking hebben op appellant of op door appellant zelf verrichte uitgaven) kan volgens appellant geen stand houden.

11.2
De stelling van appellant dat in de periode dat hij budgethouder was voor de kostenplaatsen SZ6605 en SZ2201 geen facturen, genoemd in paragraaf 2.11 van de bestreden uitspraak, ten laste van deze budgetten zijn gebracht, mist feitelijke grondslag en voor zover hij (wederom) bedoelt te betogen dat facturen na 1 januari 2011 niet ten laste van budgetten zijn gebracht waarvan hij budgethouder was, omdat hij vanaf die datum formeel geen budgethouder meer was, doet deze stelling, zoals gezegd, niet af aan de geconstateerde feitelijke gang van zaken. Voor zover appellant stelt dat hij bij Divosa geen budgethouder was, gaat hij eraan voorbij dat hij bevoegd was facturen goed te keuren die ten laste van het AKO-budget werden gebracht, met uitzondering van op hemzelf betrekking hebbende of door hem verrichte uitgaven. Voor dat laatste was [naam 7] bevoegd. Het gaat hier echter om facturen aan Divosa die waren gepresenteerd als afkomstig van derden. Voor zover de achtste grief er opnieuw toe strekt te betogen dat appellant op persoonlijke titel over het AKO-budget kon beschikken, mist de grief zelfstandige betekenis en hoeft deze in zoverre niet te worden besproken. Die lezing van de feiten komt het College, zoals hiervoor overwogen, volstrekt onaannemelijk voor.
Ook het betoog van appellant dat het AO-document niet op hem van toepassing was en dat ook niet had kunnen zijn, slaagt niet. Voldoende duidelijk is dat het AO-document is geschreven in verband met de aanstelling van appellant als programmadirecteur ten behoeve van het toekennen en toedelen van het in het kader van de ketensamenwerking G4-G5 toegekende AKO-budget. Het document beschrijft hoe offertes en facturen ten laste van het AKO-budget kunnen worden gebracht en welke bevoegdheden appellant te dien aanzien heeft. Voor zover appellant heeft gesteld dat het AO-document hem nooit is toegestuurd, blijkt het tegendeel uit het door betrokkenen overgelegde e-mailbericht van 26 mei 2009 van de controller van Divosa, [naam 16] . Bij die gelegenheid is een (gelijkluidend) concept van het AO-document aan appellant gezonden. Het betoog van appellant dat Divosa gezien de persoonlijke aard van zijn budgethouderschap niet bevoegd was zijn bevoegdheden tot het accorderen van facturen in het AO-document vast te leggen, volgt het College niet.

Voor zover appellant heeft gesteld dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [naam 9] geen nader onderzoek had hoeven doen naar of had hoeven rapporteren over de verklaring van [naam 24] – die inhield dat er eind 2010 128 vacaturefilms waren gemaakt en dat appellant met [naam 8] op verzoek van de regio het project heeft overgenomen en daarvoor werkzaamheden heeft verricht – onderschrijft het College de overwegingen 4.34 en 4.35 van de bestreden uitspraak op grond waarvan de accountantskamer tot dit oordeel is gekomen.

Grief 8 slaagt niet.

12. Grief 9

12.1
De negende grief is van appellant is gericht tegen het feit dat de accountantskamer heeft geoordeeld dat de klachtonderdelen 1, 2 en 3 zich voor gezamenlijke behandeling lenen. Naar de mening van appellant hadden deze klachtonderdelen afzonderlijk behandeld moeten worden. Appellant bestrijdt het oordeel van de accountantskamer – in de overwegingen 4.23, 4.29, 4.35, 4.41 en 4.52 van de bestreden uitspraak – dat [naam 9] geen verder onderzoek hoefde te verrichten en niet onzorgvuldig heeft gerapporteerd, omdat appellant de facturen van de derden-ondernemingen heeft goedgekeurd en ten laste heeft gebracht van de budgetten waarover hij als budgethouder kon beschikken. Appellant meent – nogmaals – dat hij heeft aangetoond dat die situatie zich niet heeft voorgedaan, zodat [naam 9] slechts op basis van nader onderzoek tot de in het rapport bedoelde classificatie had kunnen komen.Appellant heeft 29 feiten en omstandigheden genoemd waarnaar ten onrechte geen onderzoek is ingesteld en 11 waarover onjuist is gerapporteerd. Voorts heeft hij ter onderbouwing van zijn klacht 43 nieuwe stukken toegevoegd waarnaar volgens hem ten onrechte geen onderzoek is ingesteld en een drietal feiten en omstandigheden beschreven waarover onjuist is gerapporteerd. Verder heeft appellant 40 stukken opgesomd die tijdens het onderzoek in bezit waren van [naam 9] maar waaraan volgens hem geen of nauwelijks aandacht is besteed en 26 bewijsstukken die in het bezit zijn van de gemeente [gemeente] en die tijdens het onderzoek opvraagbaar waren. Ook aan die stukken is geen of onvoldoende aandacht besteed. Daarnaast heeft appellant 13 stukken opgesomd die in het bezit waren van Divosa en opvraagbaar waren voor [naam 9] , maar die wederom geen of onvoldoende aandacht hebben gekregen.
Appellant stelt, samengevat, dat betrokkenen een ondeugdelijk en onvolledig onderzoek hebben uitgevoerd, waaraan allerlei gebreken kleven. Zoals blijkt uit hetgeen appellant in de grieven 1 tot en met 8 naar voren heeft gebracht, bevat de rapportage van betrokkenen vele feitelijke onjuistheden en er worden onjuiste conclusies getrokken. De classificatie ‘geen gebleken prestatie geleverd’ kan volgens appellant niet in stand blijven, omdat [naam 9] ten onrechte en in strijd met de feiten rapporteert dat deze classificatie is gelegen in het gegeven dat de door appellant gefactureerde werkzaamheden vanuit [naam 8] deel uitmaken van zijn dienstbetrekking zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst en daarmee de zakelijke grondslag voor facturatie vanuit [naam 8] ontbreekt. Deze passage in het rapport is echter gebaseerd op onvolledig onderzoek naar de feiten en is in strijd met de feiten zoals appellant deze in zijn grieven heeft gesteld en met stukken heeft onderbouwd. Verder blijkt uit de grieven 1 tot en met 8 dat de rapportage niet aan de algemene beginselen van het bewijsrecht voldoet. Appellant is van mening dat [naam 9] bij de uitvoering van het onderzoek onvoldoende oog heeft gehad voor de objectieve waarheidsvinding en selectief te werk is gegaan. Door niet op een adequate wijze rekening te houden met de belangen van appellant als betrokkene heeft [naam 9] de fundamentele beginselen van integriteit en objectiviteit geschonden. Volgens appellant blijkt uit de onderzoeksrapportage dat geen sprake is van een evenwichtige weergave van de feiten en omstandigheden in een juiste context. Hiermee is, aldus appellant, de rechterlijke objectieve waarheidsvinding belemmerd, aangezien dit rapport in de destijds lopende procedure door de gemeente [gemeente] is gebruikt. Daarmee is in strijd met het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid gehandeld. Appellant stelt dat de door de accountantskamer in overweging 4.67 van de bestreden uitspraak genoemde vrijheid om in een civiele/strafrechtelijke procedure de inhoud van het rapport te betwisten een wassen neus is, aangezien de gemeente [gemeente] de versie van het rapport waarin hij kon constateren wat er met zijn opmerkingen uit het wederhoor was gedaan pas in de procedure heeft ingebracht op een moment dat het procedureel niet meer mogelijk was om tegen de inhoud daarvan te grieven of te concluderen. Naar de mening van appellant ontbeert het rapport een deugdelijke grondslag.

12.2
Het College stelt vast dat de accountantskamer er blijkens overweging 4.9 van de bestreden uitspraak voor heeft gekozen om de klachtonderdelen 1 tot en met 5 te bespreken aan de hand van de specifieke verwijten die appellant als toelichtingen op die klachtonderdelen heeft gegeven (in de bestreden uitspraak aangeduid als a tot en met w) en na beoordeling daarvan tot het oordeel is gekomen dat de klachtonderdelen als zodanig verder geen zelfstandige betekenis hebben. De klachtonderdelen bestaan zodoende uit de door de accountantskamer genoemde specifieke verwijten. Het College onderschrijft die beoordeling en maakt die tot de zijne. Voorts stelt het College vast dat de door appellant in zijn negende grief aangevoerde feiten en overgelegde stukken strekken tot een betoog dat al in het vorenstaande is geadresseerd en waarvan het College heeft geoordeeld dat het betoog van appellant niet slaagt.
13. Grief 10

13.1
De tiende grief van appellant houdt in dat de accountantskamer ten onrechte zelfstandige betekenis heeft ontzegd aan klachtonderdeel 4 (het verwijt dat betrokkenen onvoldoende hoor en wederhoor hebben toegepast en zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van het wederhoorcommentaar van appellant) en klachtonderdeel 5 (het verwijt dat betrokkenen aan dat commentaar verkeerde conclusies hebben verbonden).
Appellant stelt dat hij in wederhoor verschillende zaken aan de onderzoekers heeft gemeld ten aanzien van de regiomiddelen (kostenplaatsen SZ6605 en SZ2201) en de AKO-subsidie ID 159 en tevens een bewijsaanbod heeft gedaan van zijn werkzaamheden. De onderzoekers hadden hierop moeten reageren, aangezien de meldingen alle betrekking hadden op tijdens het onderzoek beschikbare bewijsstukken. Aan vijf zaken uit het wederhoor waarop de onderzoekers wel hebben gereageerd – te weten de onderwerpen (1) toekenning van rijksmiddelen, (2) aanstellingen van appellant, (3) classificatie ‘geen gebleken prestatie’ en ‘onduidelijkheden rondom geleverde prestaties’, (4) geldstromen via derden en (5) bevoegdheden – is volgens appellant een volstrekt verkeerde conclusie verbonden.

13.2
Het College stelt voorop dat in het kader van een persoonsgericht onderzoek het beginsel van wederhoor betekent dat de accountant gehouden is degene op wie het persoonsgerichte onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen van dat onderzoek voordat die bevindingen aan de opdrachtgever worden medegedeeld. Dit impliceert echter niet dat de accountant op al hetgeen de onderzochte persoon in zijn reactie naar voren heeft gebracht dient in te gaan.
Naar het oordeel van het College hebben betrokkenen in hun verweer in eerste aanleg terecht naar voren gebracht dat zij het conceptrapport van 25 maart 2015 in het kader van wederhoor aan appellant hebben voorgelegd en dat zij de via zijn advocaat ontvangen uitgebreide reactie van appellant daadwerkelijk in beschouwing hebben genomen en beoordeeld. De stellingen van appellant hebben zij onderzocht en afgezet tegen hun bevindingen, het beschikbare bewijs en de door appellant overgelegde en genoemde stukken. Voor zover betrokkenen de opmerkingen relevant achtten, hebben zij deze bij het desbetreffende onderwerp in het rapport opgenomen. Ten aanzien van een gedeelte van de stellingen van appellant hebben betrokkenen geconcludeerd dat ze niet aansloten bij het beschikbare bewijs en ook niet bleken uit de stukken waarnaar appellant zelf verwees. Betrokkenen hebben erop gewezen dat zij een expliciete en gedetailleerde reactie op het commentaar van de advocaat van appellant in hoofdstuk 9.2 van het rapport hebben opgenomen en voorts volledigheidshalve de integrale wederhoorreactie als bijlage bij het rapport hebben gevoegd. Ten aanzien van de vijf door appellant genoemde onderwerpen hebben betrokkenen in het rapport (als ook in hun verweer) uitgebreid gemotiveerd waarom zij de stellingen van appellant niet onderschrijven. Het College ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat betrokkenen het beginsel van wederhoor onvoldoende in acht hebben genomen en aan het wederhoorcommentaar van appellant onvoldoende aandacht hebben besteed.

Grief 10 slaagt niet.

14. Grief 11

14.1
De elfde grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer – in overweging 4.9 van de bestreden uitspraak – dat aan klachtonderdeel 8 (het verwijt dat het rapport ten onrechte geen voorbehouden of beperkingen bevat) geen zelfstandige betekenis toekomt en om die reden ongegrond wordt verklaard.
14.2
Het College constateert dat de accountantskamer heeft overwogen dat appellant in zijn klaagschrift niet heeft toegelicht welke voorbehouden en beperkingen het rapport had moeten bevatten, maar ter zitting heeft verklaard dat hij bedoelt dat het rapport het voorbehoud had moeten bevatten dat het, samengevat, lijdt aan de tekortkomingen zoals bedoeld in de klachtonderdelen 1 tot en met 5. Klachtonderdeel 8 – ook in de uitleg die appellant er in hoger beroep aan geeft – komt er derhalve op neer dat bij het uitbrengen van het rapport ervoor gewaarschuwd had moeten worden dat de rapportage ondeugdelijk was. Dat is een eis die in redelijkheid niet kan worden gesteld. Ook grief 11 slaagt niet.
15. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Het College is niet gebleken dat betrokkenen bij de uitvoering van hun onderzoeksopdracht niet de fundamentele beginselen in acht hebben genomen. Hun eindrapport is door middel van hoor en wederhoor tot stand gekomen. Voor de gerapporteerde bevindingen bestond een voldoende deugdelijke grondslag.
16. De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. J.A.M. van den Berk en mr. W.C.E. Winfield, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.G.M. van Ede