Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:15

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-01-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:15, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 18/296


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. N.N. Alam).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussenEuropean Flowers and Plants B.V., te Naaldwijk, appellante,de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
zaaknummer: 18/296 4243

en

ECLI:NL:CBB:2019:15:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. N.N. Alam).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussenEuropean Flowers and Plants B.V., te Naaldwijk, appellante,de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder
zaaknummer: 18/296 4243
en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van appellante tot herziening van het besluit van 28 oktober 2015, waarin aan appellante een ambtshalve heffing is opgelegd op grond van de Verordening HBAG heffing bloemen en planten 2014 (Verordening), afgewezen.

Bij besluit van 5 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2018. Namens appellante is verschenen J [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Appellante is een groothandel in bloemen en planten.
1.2
Bij besluit van 28 oktober 2015 (heffingsbesluit) heeft verweerder - als vereffenaar van het vermogen van het per 1 januari 2015 opgeheven Hoofdbedrijfschap voor de Agrarische Groothandel (HBAG) - op grond van artikel 5 van de Verordening een ambtshalve heffing opgelegd aan appellante van € 2.309,70 voor het jaar 2014. Op het heffingsbedrag is op grond van artikel 7, eerste lid, van de Verordening een bedrag van € 273,76 (voorschotbedrag) in mindering gebracht, omdat dit bedrag reeds via een veiling als voorschot door appellante was betaald. In het heffingsbesluit is verder vermeld dat het een ambtshalve heffing betreft, omdat appellante het door verweerder verstrekte aangifteformulier niet heeft teruggezonden en dat voor de ambtshalve schatting onder meer gebruik is gemaakt van de door veiling FloraHolland aan verweerder verstrekte gegevens met betrekking tot de via de veiling reeds betaalde voorschotten door appellante.
1.3
Bij brief van 9 december 2015 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het heffingsbesluit.
1.4
Bij besluit van 5 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het heffingsbesluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Appellante heeft geen beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.5
Bij brief van 1 maart 2017 heeft appellante onder verwijzing naar artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om een ambtshalve aanpassing van de heffing in het heffingsbesluit.
1.6
Bij besluit van 15 maart 2017 heeft verweerder dit verzoek van appellante afgewezen. Verweerder heeft het verzoek van appellante vanwege de formele rechtskracht van het heffingsbesluit aangemerkt als een verzoek tot herziening van het heffingsbesluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dit verzoek afgewezen, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het heffingsbesluit te herzien. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.7
Bij brief van 30 augustus 2017 heeft appellante verweerder verzocht het heffingsbesluit te herzien. Volgens haar is er wel sprake van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden die nopen tot terugkomen van het heffingsbesluit, omdat de gegevens voor de heffing over 2014 ten tijde van het heffingsbesluit al bij verweerder bekend waren. Dat blijkt uit het feit dat verweerder bij de ambtshalve heffing 2013 wel van de juiste gegevens gebruik heeft gemaakt die door FloraHolland zijn verstrekt. Voor 2013 bleef er, na mindering van het bedrag dat reeds door appellante was betaald via de veiling, nog maar een klein heffingsbedrag over. Voor de heffing over 2014 heeft verweerder gebruik gemaakt van de door FloraHolland aan verweerder verstrekte gegevens met betrekking tot de via de veiling reeds betaalde voorschotten door appellante voor 2014, maar heeft verweerder genegeerd dat er in 2014 door appellante een sterk verminderde omzet is gerealiseerd. Appellante verzoekt verweerder daarom terug te komen van de heffing voor 2014 en zich daarbij te baseren op de omzetgegevens van 2014.
1.8
Bij het primaire besluit van 10 oktober 2017 heeft verweerder dat verzoek afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding geven om het heffingsbesluit te herzien. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat appellante in haar verzoek verwijst naar de veilinggegevens die zijn gebaseerd op transacties van appellante in 2014. Die gegevens waren ten tijde van het heffingsbesluit al bekend bij appellante. Dat deze gegevens toen ook al bekend waren bij verweerder blijkt uit het in het heffingsbesluit vermelde voorschotbedrag. Ter aanvulling corrigeert verweerder een tweetal punten uit het heffingsbesluit. Anders dan in het heffingsbesluit is vermeld, stelt verweerder vast dat er geen aangifteverzoek naar appellante is gestuurd en dat er daarom ook geen sprake was van een ambtshalve heffing wegens het ontbreken of niet aanleveren van de aangiftegegevens. Op grond van de Verordening is de grondslag voor de heffing over 2014 de aankoopwaarde in 2013 en de gegevens over 2013 waren al bij verweerder bekend, zodat het doen van aangifte of het ambtshalve vaststellen van de heffing niet aan de orde was. Aangezien het heffingsbesluit in overeenstemming met de Verordening is vastgesteld ziet verweerder echter geen aanleiding om het heffingsbesluit wegens deze correcties te herzien.

1.9
Bij brief van 20 november 2017 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Volgens appellante volgt uit de door haar in bezwaar overlegde verklaring van FloraHolland van 19 december 2017 dat verweerder de omzetgegevens van appellante voor 2014 heeft ontvangen en is dit een nieuw feit.
1.10
Bij het bestreden besluit van 5 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de omzetgegevens van appellante voor 2014 en de daarop gebaseerde verklaring van FloraHolland ten tijde van het heffingsbesluit al bekend waren bij verweerder. Dat blijkt uit het in het heffingsbesluit vermelde voorschotbedrag van € 273,76. Verweerder ziet daarom geen aanleiding om terug te komen van het heffingsbesluit.
2. In beroep betoogt appellante dat haar verzoek ten onrechte is afgewezen. Hiertoe voert zij aan dat er sprake is van een nieuw feit, namelijk dat verweerder ten tijde van het heffingsbesluit wel beschikte over de omzetgegevens van appellante voor 2014, maar hieraan voorbij is gegaan. Appellante voert ook aan dat zij onevenredig is benadeeld doordat verweerder 2013 als heffingsgrondslag voor de heffing over 2014 heeft genomen. Haar omzet in 2014 was sterk verminderd ten opzichte van haar omzet in 2013. Dat de omzetgegevens van appellante voor 2013 en 2014 enorm verschillen kon verweerder ook afleiden uit het in het heffingsbesluit vermelde voorschotbedrag van € 273,76. Bovendien kon verweerder geen ambtshalve heffing opleggen, omdat hij geen aangifteverzoek heeft gestuurd.

3.1
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of verweerder het verzoek van appellante van 30 augustus 2017 om terug te komen van het heffingsbesluit kon afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het College overweegt als volgt.
3.2
In artikel 4:6 van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden (eerste lid), alsook dat wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking (tweede lid).
3.3
Naar vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraken van 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190, en 15 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:276) betekent dit dat uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Voor het toetsingskader is van belang welke keuze het bestuursorgaan maakt.
3.4
Verweerder heeft in het licht van deze jurisprudentie toegelicht dat hij in zaken als deze de keuze maakt dat als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, hij het verzoek tot herziening met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afwijst.
3.5
Gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting gaat het College ervan uit dat de in het primaire besluit vervatte “correctie” niet meer is dan een ten overvloede vermelde aanvulling, zodat, aldus beschouwd, verweerder in deze zaak in overeenstemming met zijn bestuurspraktijk toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
3.6
Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De omzetgegevens voor 2014 en de gegevens uit de verklaring van FloraHolland waren ten tijde van het heffingsbesluit immers al bij verweerder bekend. Zoals door beide partijen is aangevoerd, blijkt dit uit het in het heffingsbesluit vermelde voorschotbedrag. Wat appellante verder nog heeft aangevoerd met betrekking tot de heffingsgrondslag en de ambtshalve schatting kan evenmin als een novum worden aangemerkt. Tevens ziet het College in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van verweerder om artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toe te passen evident onredelijk is.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. B. Bastein en mr. I.M. Ludwig, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.
w.g. R.R. Winter w.g. L. ten Hove